Herman Teeuwen
In 2003 is oud-VVV-speler Herman Teeuwen overleden. Herman had niet alleen als speler veel verdiensten voor de club, ook was hij jarenlang actief als scout. VVV-Venlo wil de gedachte aan Herman Teeuwen levend houden door elk jaar in aanloop naar het nieuwe seizoen in Seacon Stadion - De Koel - een wedstrijd te spelen tegen een gerenommeerde tegenstander, in het kader van de ´Herman Teeuwen Memorial´.
Wedstrijden om de Herman Teeuwen Memorial
2004 VVV-Venlo - RSC Anderlecht 0-1
2005 VVV-Venlo - Roda JC 1-0
2006 VVV-Venlo - Borussia Mönchengladbach 2-1
2007 VVV-Venlo - PSV 1-1 (VVV-Venlo w.n.s.)
2008 VVV-Venlo - PSV 1-1 (VVV-Venlo w.n.s.)
2009 VVV-Venlo Feyenoord 2-2 (VVV-Venlo w.n.s.)
Journalist Theo Vincken, die als chef-sport van Dagblad voor Noord-Limburg VVV jarenlang op de voet volgde, interviewde Herman Teeuwen in 1994 voor het boek: ‘…dan wordt een goal geboren’, 40 jaar betaald voetbal in Noord-Limburg. Wij willen u dit interview niet onthouden:
Herman Teeuwen: 'Voetbal heeft mijn leven verrijkt’
Herman Teeuwen (geboren 4 juni 1930). De bijna twee meter lange VVV’er verwierf in de jaren vijftig een naam als alleskunner, en meer dan dat. Hij debuteerde in
“Ik ben er geen miljonair mee geworden, verre van dat zelfs. Wat dat betreft had ik, zuiver materieel gezien, de tijd niet mee, te vroeg geboren. Toch heeft voetbal mijn leven verrijkt, ja, zo mag ik het wel stellen. Weet je, ik was op mijn achttiende nummer 58 bij de machinefabriek Emwee. LTS-diploma plaatwerker. Als ik niet goed had kunnen voetballen zou ik tot mijn pensioen nummer 58 zijn gebleven. Ik heb mijn naamsbekendheid maatschappelijk uitgebuit, heel legitiem, of niet?”
“Toen ik in
“Ferdi Silz was een heel bijzondere trainer, de beste die ik heb meegemaakt. Hij was in 1954 de eerste oefenmeester van profclub Venlo. Na de fusie tussen Sportclub Venlo ’54 en VVV in datzelfde jaar, bleef hij hoofdtrainer. Ik weet niet eens waar hij vandaan kwam. Kaiserslautern geloof ik. Met zijn oefenstof veel werk aan de bal, was die man zijn tijd ver vooruit. En hij deed alles voor, hé. Balletje hoog houden? Of-ie de bal met ’n veer aan zijn schoen had bevestigd. Zijn keeperstrainingen waren een lust voor het oog. Tien keer achterelkaar legde hij de bal loepzuiver in de kruising, het ging hem allemaal zo gemakkelijk af. Hij liet ons al systemen voetballen, die nu weer actueel zijn. Met twee spitsen, en één er achter, zoals Oranje tijdens het WK in Amerika.”
“Silz voerde ook het gebruik van codes in. Met bepaalde hand- of armsignalen gaf hij aan als we van speelwijze moesten veranderen. Zelfs de communicatie tussen de spelers verliep vaak in geheimtaal. Een speler in balbezit die achter zich ‘Leo’ hoorde schreeuwen, wist dat-ie zonder kijken ’n hakballetje kon geven. Zo waren er meer van die afspraken. Het lijkt wat onnozel misschien, maar het werkte wel.”
“Nogmaals, een hele goeie. Ook in tactisch opzicht. Hij miste weliswaar een oog, maar dat bleek absoluut geen handicap. Voor mijn gevoel had hij er toch nog drie. Want hij zag alles. De discipline was navenant. Ik kan me herinneren dat ooit Willy Heger, onvermoeibare pezer op het middenveld, tijdens de training een pet droeg, zo’n honkbalpet met klep. Een onmogelijkheid natuurlijk bij kopoefeningen. Hij verdomde het om die af te zetten. Silz joeg hem naar huis. Die pet-affaire betekende het einde van Willy’s loopbaan als betaald voetballer.”
“Van het eerste jaar profvoetbal ligt me een naam nog heel goed bij, Jenne Smit. Hij speelde met mij bij SC Venlo. Waar hij vandaan kwam? Ik weet het niet eens. Ineens was hij er, en even plotseling verdween-ie weer. Ook nooit meer van gehoord. Ongelooflijk, wat een balvaardige voetballer. Snel als het weerlicht, type Overmars. Zeer bijzondere kwaliteiten. Gek hč.
Nu pas begin ik me af te vragen waar zo’n speler gebleven is.”
"De samenvoeging van SC Venlo en VVV leidde tot een zeer brede selectie, waardoor toch enkele redelijk tot goede voetballers buiten de boot vielen. Graadje Smeets en Sjraar Broekmans, de twee die het bij SC Venlo voor het zeggen hadden, drukten toch zwaar hun stempel op de nieuwe fusieclub. Jo van Daalen mocht dan wel voorzitter zijn van VVV, de macht van Smeets viel niet te veronachtzamen. Begrijpelijk, want zijn inbreng aan spelers en kapitaal was niet gering.”
“Hij was ook een van de mensen die zich in 1956 sterk maakten voor het naar VVV halen van Faas Wilkes. Dat was een geweldig waagstuk, want hij stond te boek als een zeer dure jongen. En het was maar zeer de vraag hoe hij in Venlo zou aarden. In Spanje, hij speelde daar voor Valencia, was Wilkes een gevierd voetballer. Nou, daar was hier niks van te merken. Sterallures waren hem vreemd. Een absolute vedette, maar een prima vent. Met afstand de beste voetballer die VVV ooit onder contract heeft gehad.”
"Toen Faas Wilkes hier kwam, was hij al niet meer in zijn beste doen. Hij ondervond last van een knieblessure. Maar met die halve knie bracht-ie nog meer dan welke Nederlandse voetballer ook. Hij voegde echt iets toe aan ons voetbal. Daar kwamen de mensen voor naar het stadion. Wat had die vent acties, onnavolgbaar! Zo nu en dan moesten we ergens in het land vriendschappelijke wedstrijden spelen. Met de recettes moest een gedeelte van Wilkes’ salaris worden betaald. Hier heb ik krantenknipsels waarin staat dat we op een doordeweekse avond in de Nijmeegse Goffert voor een vriendschappelijke wedstrijd tegen Fortuna Düsseldorf 20.000 toeschouwes trokken. VVV met twee internationals, Jan Klaassens en Faas Wilkes. Daar wilden de mensen wel naar komen kijken.”
“Gijs Nass en ik hebben altijd goed met Wilkes kunnen opschieten. Wederzijds respect. Hij wist dat hij mij nodig had voor het vuile werk. Ik veroverde voor hem de ballen, waarna hij op sierlijke wijze de show kon stelen. Wilkes schudde met gemak twee, drie tegenstanders van zich af, waarna hij de gouden pass verzond, hij was beslist niet zelfzuchtig, of het karwei zelf afmaakte. Ik heb in die tijd veel van hem opgestoken, en later zelfs iets van hem overgenomen.”
”Wilkes voetbalde hier in de jaren van Willy Kment, de opvolger van Silz. Kment, een Oostenrijker, was een echt gevoelsmens. Emotioneel. Hij deed voor elke wedstrijd een beroep op ons geweten, ons gemoed. ‘Speel voor jullie club’, riep hij dan, of ook wel eens: ‘doe het voor mij’. Tijdens die ‘peptalks’ gooide hij vaak zijn sleutelbos op tafel, wat op menigeen toch wel indruk maakte. Als hij zo gedreven bezig was, gebruikte hij vaak een woord dat klonk als ‘faan’, ik heb nooit begrepen wat-ie daarmee bedoelde.”
“Overigens geen slechte trainer, hoewel zijn aanpak wezenlijk verschilde van zijn voorganger. ’s Zaterdagsavonds ging hij controleren of de spelers thuis waren. Als hij aanbelde moest je je hoofd laten zien. Wee degene die hij niet thuis aantrof. Ik meen me te herinneren dat het Jozef Theuws eens zijn plaats in het elftal heeft gekost.”
“Wat hadden we, realiseer ik me nu, in die periode een sterke selectie. Gijs Nass, Jan Klaassens, Faas Wilkes, Ton van den Hurk, Hans Sleven, Jan Schatorjé en Karl-Heinz Spikofski. ‘Spiko’, zo noemden we Spikofski, was een Duitser. Een eigenzinnige ‘Pruus’, maar ook een dribbelkunstenaar, die op snelheid gemakkelijk drie, vier mensen voorbij liep en de bal panklaar voor het doel kon leggen. In alles wilde hij met Wilkes wedijveren. Een echte rechtsbuiten.”
“Op links liep Jan Schatorjé, een jongen van eigen streek, moordvent. Ze noemden hem wel ‘d’n boer’, een bijnaam die hij louter en alleen te danken had aan het feit, dat hij uit Horst kwam. Dat was absoluut niet denigrerend bedoeld. En in ’n dorp als Horst, zo redeneerden de zichzelf stads vindende Venlonaren, wonen alleen maar boeren. Weet je, dat er voor de thuiswedstrijden van VVV uit Horst een extra bus kwam rijden, afgeladen vol met Horster supporters die Jan wilden zien voetballen.”
”Schatorjé was een uitgesproken linkspoot. Hij schoot al met effect, toen de kromme bal nog moest worden uitgevonden. Vanaf de achterlijn, ik overdrijf echt niet, kon hij de bal in de korte hoek schieten, vaak ook nog ongegeneerd hard. Soms had ik het idee dat hij zelf niet wist hoe hij het deed. Ik heb hem zo heel wat doelpunten zien maken. Hij stond er op een gegeven moment echt om bekend, keepers werden er door de trainers voor gewaarschuwd. Ik vergeet niet dat-ie het ‘m ook flikte in een uitwedstrijd tegen PSV. Doelman Liewe Steiger, ook keeper van het Nederland elftal, stond volkomen machteloos tegen de plotseling afzwaaiende bal. Ik zei tegen Jan, ‘die Steiger pak je daarmee geen tweede keer’. Verdomd, even later kogelde hij de bal opnieuw vanaf de achterlijn de korte hoek in.”
”Tja, PSV, toch altijd een zeer bijzondere tegenstander. Voor bepaalde wedstrijden was je altijd extra gemotiveerd. Ajax, Feyenoord, Fortuna ’54, maar ook PSV. Bij die club liepen ook wel wat namen zeg: Piet Fransen, Jan Renders, Fons van Wissen, Roel Wiersma, Piet van der Kuil, Coen Dillen en niet te vergeten Toon Brusselers. Met die Brusselers, hij heeft ook nog een blauwe maandag in het Nederlands elftal gespeeld, heb ik ooit oorlog gemaakt. Dat was in het seizoen 1960-61, het jaar waarin we derde zijn geworden. We speelden toen in het paasweekeinde twee keer tegen PSV, ’s zaterdags thuis en op maandag in Eindhoven. Josef Horesj was toen trainer. Het staat me nog precies bij.”
"Ik hoor Horesj nog op zo’n snerend, lacherig toontje zeggen: ‘Herman vandaag ben je met eigen wapens verslagen’. Messteken in mijn prestige. Maar hij had gelijk, want in Brusselers, ook voor geen kleintje vervaard, vond ik mijn meester. Vanaf de eerste minuut zocht hij mij, daar was de hele Eindhovense strategie op afgestemd. De agressie van Brusselers verraste mij, zelf verbaal bleek ik niet tegen hem opgewassen. Hij bleef etteren. Niettemin speelden we met 1-1 gelijk.”
“Twee dagen later in Eindhoven, maakten wij de dienst uit. Brusselers zocht me weer, maar dit keer zonder succes. De wedstrijd eindigde opnieuw in 1-1. Bij het verlaten van het veld, net voor de deur van onze kleedkamer, zag ik plotseling Brusselers voor me lopen. Zo maar ineens, zonder nadenken, schopte ik hem onder zijn achterste, en trok vervolgens de deur achter me dicht. Nou, daar had ik wat aangericht. Heel PSV ging over de rooie. Maar niemand kwam de kleedkamer binnen, iedereen werd naar buiten gewerkt. Tien meldde zich Ir. Otten, de grote baas van het Philips-concern. Maar wisten wij veel. Hij wilde het even uitpraten, het conflictje uit de wereld helpen, weet je wel. Hay Steegh, die bij de deur stond, pakte de man bij zijn kladden en zette hem buiten de deur. ‘Jij er ook uit’, riep Hay. Het VVV-bestuur, zeer in verlegenheid gebracht, bood deemoedig zijn excuses aan voor ons gedrag. Maar PSV was diep gegriefd. Op slag waren als gevolg van dat incident de verhoudingen tussen PSV en VVV verstoord. Een kilte die jarenlang heeft geduurd.”
“Het eerste seizoen onder Josef Horesj, de opvolger van Willy Kment, was zeer bijzonder. Niemand had het op die man, een stuurse Oostenrijker, begrepen. Op advies van Kment werd hij gecontracteerd. Achteraf denk ik wel eens, dat hij Horesj het een en ander over mij heeft ingefluisterd. Al bij de eerste training kreeg ik het met hem aan de stok. Terwijl hij uitleg gaf over een ingewikkelde oefening, ging ik achter zijn rug op de bal zitten. ‘Schon mude Herman?’ vroeg-ie, toen hij zich plotseling omdraaide en mij zag zitten. ‘Van zulke oefeningen moet je wel moe worden’, antwoordde ik. ‘Okee, ga je dan maar omkleden’, bitste hij. Ik kon inrukken.”
“Natuurlijk hing ik in de kleedkamer nog even de grote jongen uit. ‘Vandaag heb ik de pieken snel verdiend’, riep ik tegen de spelers, toen die later afgepeigerd binnenkwamen. Een week nadien kreeg ik het loonzakje en zag dat er een tientje te weinig in zat. ‘Klopt’, zei de administrateur, ‘de trainer heeft me gemeld dat je een avond te moe was om te trainen’. Ik op hoge poten naar het trainershok, klopte woedend aan. ‘Kom binnen Herman’, riep-ie. Herman? Hoe wist-ie dat ik aan de deur stond? Ik was helemaal van de kaart. ‘Tientje te weinig’, brabbelde ik. ‘Herman, ben je dat al weer vergeten’, zuchtte hij, ‘je was een avond toch te moe. Kein arbiet, auch kein Geld, Herman’. Hij wist dat-ie door mij af te bluffen, ook voor de rest een voorbeeld had gesteld. Een psychologisch sterke zet.”
“Geen gemakkelijke man, die Horesj. Hij kwam knorrig en stug over, leek onbenaderbaar. Verschillende spelers hadden schrik van hem, konden ook niet begrijpen dat ik grappen met hem maakte. Maar ik kon goed met hem overweg. Voor hem ook wel een beetje eigenbelang. Hij zag in mij, veronderstel ik, een leidsman, iemand die zijn visie en wil aan het elftal kon overbrengen. Ik had ook bepaalde privileges. Horesj was een fel tegenstander van roken. Wie een sigaretje pafte, liep bij wijze van spreken de kans door hem te worden doodgeschoten. Mij heeft hij het roken nooit verboden. Inconsequent misschien, maar de spelers pikten het.”
”Horesj was zonder meer een vakman. Sterren als Wilkes, Spikofski en Klaassens mochten dan wel naar elders zijn vertrokken, uit onze prestaties viel dat niet af te leiden. In Horesj’ eerste jaar als trainer presteerden we formidabel. Jongens als Harrie Heijnen, een broekie nog, en Cor de Meulemeester pasten zich probleemloos aan. De Meulemeester schopte er alleen al meer dan twintig in. We eindigden als derde achter Feyenoord en Ajax, waardoor we nog aan de Intertoto-competitie mochten meedoen ook.”
“Terwijl dat allemaal speelde, meldde zich Eindhoven voor mij. De eerste divisieclub wilde me inlijven. Voor hij een paar weken in Oostenrijk op vakantie ging, bezwoor Horesj mij niet op de aanbiedingen in te gaan. ‘Als ze jou verkopen, dan houd ik het hier ook voor gezien’, zei hij. Het kwam uiteindelijk toch tot een transfer. Bij Graadje Smeets thuis tekende ik de overeenkomst. Zag Graadje eindelijk iets van zijn geld terug, dat-ie er in al die jaren had ingestopt. De transfersom bedroeg 40.000 gulden, erg veel voor die tijd. Een veelvoud van dat bedrag moet het betaald voetbal hem hebben gekost.”
“Josef Horesj, woedend over mijn vertrek, hield inderdaad woord. Na enkele wedstrijden hield hij het bij VVV voor gezien. Ferdi Silz moest het zinkende schip zien te redden, maar hij was niet meer de oude Silz. De man was ziek. En overleed anderhalf jaar later.”
“Na mijn Eindhovens avontuur nam ik in Tegelen het café van mijn oom over. Voor goodwill en inventaris kon ik zo contant 20.000 gulden pop tafel leggen. Verdiend als betaald voetballer, toch een mooi vertrekpunt. Tien jaar, zo had ik me heilig voorgenomen, wil ik in het horecabedrijf werkzaam zijn, langer niet. Ik heb woord gehouden. Nadat ik de zaak had overgedaan, kon ik bij een school als conciërge in dienst treden. Dat heb ik met plezier tot mijn vut-leeftijd gedaan. Miljonair? Nee, Maar ook niet nummer 58 bij de Emwee.”


























