Jan Klaassens
De meest succesvolle voetballer
uit de rijke VVV-historie
Jan Klaassens (geboren 4-9-1931, overleden 12-3-1983) speelde 504 competitiewedstrijden (244 als amateur, 260 als prof) in het eerste team van VVV. Van 1959/60 t/m 1963/64 speelde Jan circa 200 wedstrijden voor Feyenoord. In 1964 haalde VVV hem terug naar Venlo waar hij nog drie seizoenen speelde.
Jan Klaassens speelde 57 interlands, waarvan 40 in zijn VVV-periode en 17 als Feyenoorder. Zes keer was hij aanvoerder van Oranje. Hij debuteerde in 1953 in Rotterdam (Nederland – Denemarken 1-2) en sloot zijn internationale carrière af op 11 september 1963 in Amsterdam (Nederland – Luxemburg 1-1).
Het aantal interlands had nog hoger kunnen uitvallen als Jan in 1962 niet zwaar gewond was geraakt bij een auto-ongeluk op weg naar huis van een training bij Feyenoord. Met een gebroken halswervel werd hij in het ziekenhuis opgenomen. Enige tijd vreesde men zelfs voor zijn leven, maar ook hiervan knokte Jan zich terug en in maart 1963 makte hij zijn rentree in Oranje. Hij was een harde werker, een echte karakterjongen, links op het middenveld.
In 1964 werd hij wegens zijn grote verdiensten voor het Nederlandse voetbal door de KNVB tot bondsridder benoemd. Op 29 juli 1967 nam Jan Klaassens afscheid van het voetbal in een wedstrijd tegen PSV.
Theo Vincken brak in het boek ‘…dan wordt een goal geboren’, 40 Jaar betaald voetbal in Noord-Limburg, een lans voor Jan Klaassens in een artikel onder de kop: ‘Jan Klaassens: Een vergeten monument’. Hij eindigde de aanhef van het artikel als volgt: ‘In zijn tijd gold Jan Klaassens als de verpersoonlijking van de ideale sportman, een begrip, ook voor wilskracht, karaktervastheid en sportiviteit. Maar wie weet het nog? Een monument uit VVV’s historie is vergeten. Geen foto, geen schilderij, niets herinnert in het clubgebouw – de businessclub! – aan de voetballer, maar vooral de mens, die Jan Klaassens was. Dat stemt bitter’.
Of het aan dit artikel heeft gelegen weten we niet, maar Jan Klaassens, misschien wel de grootste sporter die Limburg ooit heeft gekend, is niet vergeten. Al jaren is het portret van Jan Klaassens verwerkt in de huisstijl van VVV-Venlo en staat hij onder andere afgedrukt op het briefpapier.
Er is in 2004 een beeld van hem geplaatst voor Stadion De Koel en er is een Award naar hem genoemd, die jaarlijks wordt uitgereikt aan een speler uit de jeugdopleiding van VVV-Venlo, die goed presteert op het veld, maar ook in studie en omgang.
In de kleine sigarenwinkel die Jan jaren runde aan de Parade in Venlo is een klein museum ingericht, dat vanaf de straat te bezichtigen is. De gedachte aan Jan Klaassens – en in zijn persoon alle oud-spelers – mag nooit verloren gaan. Om met de woorden van VVV-voorzitter Hai Berden te spreken: ‘Zonder historie geen toekomst’.
Het artikel over Jan Klaassens uit het boek: ‘…dan wordt een goal geboren’, 40 Jaar betaald voetbal Noord-Limburg van Theo Vincken en Baer Diddens, kunt u onderstaand in zijn geheel lezen.
Daar achteraan treft u aan het artikel: ‘Jan Klaassens, de onverzettelijk’, in 2003 geschreven door journalist Adri Gorissen voor De Buun.
Jan Klaassens Award
De Jan Klaassens Award is in het leven geroepen om de gedachte aan de legendarische voetballer Jan Klaassens, die naast speler van VVV en Feyenoord ook maar liefst 57-voudig international was, levend te houden. De Jan Klaassens Award is een replicatie van het standbeeld dat in 2004 voor Stadion De Koel is geplaatst.
Willem Janssen was de eerste speler die in 2005 de Jan Klaassens Award in ontvangst mocht nemen. De trofee wordt jaarlijks uitgereikt aan een speler uit eigen jeugdopleiding. Deze speler wordt niet alleen beoordeeld op zijn sportieve prestaties, maar ook wat betreft zijn studieresultaten en omgang met medespelers, leiding etc. Hij dient een voorbeeld te zijn voor de spelers uit de jeugdopleiding van VVV-Venlo.
2005: Willem Janssen
2006: Robin Janssen
2007: Rachid Ofrany
2008: Niels Fleuren
Journalist Theo Vincken schreef in 1994 in een door Dagblad voor Noord-Limburg uitgegeven boek: ‘…dan wordt een goal geboren’, 40 jaar betaald voetbal in Noord-Limburg’, onderstaand verhaal over de legendarische Jan Klaassens.
Jan Klaassens: Een vergeten monument
Jan Klaassens (geboren 4-9-1931; overleden 12-3-1983). De meest succesvolle voetballer uit de VVV-geschiedenis. Hij voetbalde 504 competitiewedstrijden (244 als amateur, 260 als prof) in het eerste elftal van de Venlose club, en kwam ongeveer 200 maal uit voor Feyenoord, waar hij vijf seizoenen (1959/60 t/m 1963/64) onder contract stond.
In 1964 haalde VVV hem terug naar Venlo, waar hij nog drie seizoenen de geelzwarte kleuren van De Kraalclub verdedigde. Gedurende zijn loopbaan speelde hij 57 interlands; veertig keer droeg hij het Oranje in zijn VVV-tijd, de club waarbij hij carrière maakte, en zeventien keer als Feyenoorder.
Klaassens, die in december 1964 wegens zijn grote verdiensten voor het Nederlandse voetbal door de KNVB tot bondsridder werd benoemd, voetbalde tien jaar vrijwel onafgebroken als middenvelder in het Nederlands elftal, waarvan hij zes maal als aanvoerder mocht optreden. Hij debuteerde op 7 maart 1953 te Rotterdam in de wedstrijd Nederland – Denemarken (1-2) en sloot zijn carrière af als international op 11 september 1963 te Amsterdam af met de wesdtrijd Nederland – Luxemburg (1-1). Ook kwam Klaassens gedurende zijn rijke loopbaan in tal van vertegenwoordigende elftallen uit. In zijn tijd gold Jan Klaassens als de verpersoonlijking van de ideale sportman, een begrip ook voor wilskracht, karaktervastigheid en sportiviteit.
Maar wie weet het nog? Een monument uit VVV’s historie is vergeten. Geen foto, geen schilderij, niets herinnert in het clubgebouw - de businessclub! - aan de voetballer, maar vooral de mens, die Jan Klaassens was. Dat stemt bitter.
“Vergeet niet die goal van Jan Klaassens in de krant te zetten, hè.” Jantje Notermans, de kwikzilverige kanthalf van Oranje, klampte me bij het verlaten van de kleedkamer aan. Ik stelde de kleine Sittardenaar - hij kende me omdat ik hem geregeld trof bij zijn tante Mina in Blerick - gerust. “Natuurlijk vergeet ik die niet, wat dacht je?”
’s Avonds, terug op de redactie, het hoeveelste doelpunt was het ook alweer? Het achtste van de negen doelpunten, die het Nederlands elftal op die gedenkwaardige 10e oktober 1959 in de Rotterdamse Kuip tegen België scoorde. En ik schreef: ‘Jan Klaassens’ droomwens werd in zijn 41e interland werkelijkheid. Helemaal alleen fabriekte hij zijn eerste interlanddoelpunt klaar. Op het middenveld kreeg hij de bal aangegeven en zijn rush naar het doel der Belgen vond zij bekroning met een welgemikt schot. Groot was de vreugde van zijn ploegmakkers. Als een man stormden zij naar de Venlonaar om hem te complimenteren.’
Een simpel doelpunt, gescoord in een van zijn 57 interlands. Het moet een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. Ruim twintig jaar later, ver nadat hij zijn glanzende voetballoopbaan had afgesloten, vroeg ik eens wat hem het meest was bijgebleven. Zonder na te denken antwoordde hij: “Mijn eerste en enige interlanddoelpunt, gescoord tegen België.” Jan Notermans (’vergeet niet te schrijven dat-ie heeft gescoord’) moet in 1959 wel ’n feilloos gevoel hebben gehad voor zaken die Jan Klaassens beroerden. Niet zijn Europacupbelevenissen met Feyenoord, de twee landstitels met die club, het veroveren van de KNVB-beker met VVV, of zijn benoeming tot bondsridder van de KNVB, nee… Eén goaltje, niet eens ’n winnend. Dat ervoer Jan Klaassens als het hoogtepunt van zijn 57 interlands tellende voetbalcarrière, ’n Detail. Zo was Jan Klaassens, dat typeerde hem.
De oudere voetballiefhebbers zullen zich Jan Klaassens herinneren als één brok onverzettelijkheid, ’n linkshalf die in de periode 1953 tot 1963 niet viel weg te denken uit het Nederlands elftal, de kanthalf ook met het elastiekje in het haar. Hij was geen geboren voetballer, maar een karakterjongen, die er alles aan deed om zijn tekortkomingen op het voetbaltechnisch vlak met noeste ijver weg te werken en niet zonder succes.
Als zeventienjarige debuteerde Klaassens op 12 december 1948 aan De Kraal in het eerste elftal van VVV. Hij deed zijn eerste optreden als midvoor, maar al snel ontdekte men dat hij in de halflinie beter tot zij recht zou komen. Daarna heeft hij op geen andere plaats meer gespeeld. Het talent van de ‘blonde Venlonaar’ bleef niet onopgemerkt. Van het Nederlands jeugdelftal voetbalde Jan Klaassens zich in 1953 in het nationale elftal. Het beginpunt van een lange interlandcarrière. Tegen het einde van de jaren vijftig lieten diverse clubs een begerig oog vallen op VVV’s 28-jarige international. Met pijn in het hart zagen de Noordlimburgse voetballiefhebbers Jan Klaassens - eerst hielp hij VVV nog de beker winnen - aan het einde van het seizoen 1958/59 naar het machtige Feyenoord vertrekken, een transfer die niet was tegen te houden. VVV toucheerde een transfersom van 100.000 gulden, voor die tijd een gigantisch kapitaal. ‘Die transfer’, verklapte VVV-voorzitter Jo van Daalen later, “betekende de redding voor de club, want we balanceerden op het randje van een faillissement.”
Jan Klaassens de ‘zuiderling’, voelde zich bij Feyenoord op zijn plaats. Al lang had de Rotterdamse stadionclub uitgekeken naar een voetballer van het type Klaassens. Het technisch volmaakt voetbal spelend Feyenoord miste body en kracht. De dynamische en stuwende kanthalf uit Venlo paste precies in dat elftal. Zijn speelwijze en ijzeren zelfdiscipline (geen alcohol en niet-roker) dwongen allerwege respect af. Dat laatste was ook de reden waarom hij niet naar Rotterdam hoefde te verhuizen. Immers, op Jan Klaassens kon je rekenen. Zijn positie binnen het elftal stond nimmer ter discussie. Beter dan wie ook begrepen de vedetten dat ze alleen konden schitteren bij de gratie van die Venlose werker, de dienende voetballer.
Vijf seizoenen kwam Klaassens voor Feyenoord uit. In die periode werd hij met de Maasstedelijke club tweemaal landskampioen (1961 en 1962). Het was ook in die tijd dat de ploeg uit De Kuip internationaal aan de weg timmerde, de halve finale van het Europacuptoernooi haalde en de onvergetelijke wedstrijden speelde tegen Benfica en Reims. Wat er ook gebeurde, Jan Klaassens bleef altijd zichzelf. Hij had een gruwelijke hekel aan windbuilen, zoals hij ook luie voetballers verafschuwde. Van onsportief gedrag - nimmer kwam hij in aanvaring met een scheidsrechter - moest hij niets hebben, wat niet gezegd kon worden van de spelers waarmee hij wekelijks in het veld stond. “Begrijp jij die mensen”, zuchtte hij ’s maandags in zijn piepkleine (afmetingen 3 bij 4 meter) sigarenzaakje aan de parade, als het er een dag eerder weer ‘ns warm aan toe was gegaan. Herhaaldelijk vertelde hij hoofdschuddend over arbiters, die zich met doodsangst in de ogen verrot lieten schelden.
Jan Klaassens speelde zevenenvijftig interlands, maar het zouden er aanzienlijk meer zijn geweest wanneer hij in 1961 niet het slachtoffer was geworden van een auto-ongeluk. Terugkerend van een training bij Feyenoord raakte hij als gevolg van een aanrijding ernstig gewond. Met een gebroken halswervel moest hij in het ziekenhuis worden opgenomen. Men vreesde een tijdlang voor een voortijdig einde van zijn voetballoopbaan. Maar Jan Klaassens, de onverzettelijke, heroverde zijn plaats in Feyenoord-één en het Nederlands elftal. Als gevolg van het ongeluk moest hij elf interlands missen. Maar op 31 maart 1963 deed hij zijn heroptreden in Oranje. Nog vier maal speelde hij voor het Nederlands elftal, de laatste twee keer als aanvoerder. In 1964 keerde Jan Klaassens terug naar zijn ‘oude liefde’ VVV. Nog drie seizoenen droeg hij de geelzwarte kleuren, de tinten die hem toch het dierbaarst waren. Na het afsluiten van zijn voetballoopbaan - op 29 juli 1967 nam hij afscheid in een erewedstrijd tegen PSV - legde hij zich vol overgave toe op de tennissport. Een nieuwe passie. Op zaterdag 12 maart 1983 overleed hij op de tennisbaan. Hartstilstand. Hij was 51 jaar oud.
Adri Gorissen schreef in 2003 voor De Buun een artikel over: Jan Klaassens, de onverzettelijke.
Ondanks dat het een behoorlijk lang verhaal is willen dit onze voetballiefhebbers niet onthouden.
Door Adri Gorissen
Jan Klaassens, de onverzettelijke
Plat op zijn rug moest hij blijven liggen. Om zijn hoofd zat een leren band, waaraan een gewicht van eerst zes en later zelfs zeven kilo was bevestigd. Bewegen mocht absoluut niet. De geringste draaiing kon fataal zijn. De beschadiging aan zijn halswervels zou dan niet meer herstellen.
Wilde hij ooit nog voetballen, dan moest de Venlose Feyenoord/speler, oud-VVV´er en international Jan Klaassens zichzelf in maart en april 1962 onderwerpen aan een ijzeren regime. Vierentwintig uur per dag, dagen, ja zelfs weken lang. Dat was ook voor een voetballer met zoveel zelfdiscipline als Klaassens een bijna onmogelijke opgave. Maar hij slaagde en mocht eerder dan door de doktoren verwacht uit zijn ‘dwangbuis’.
“De zwaarste wedstrijd uit mijn loopbaan”, zoals hij die periode later zelf wel eens noemde, was een gevolg van een auto-ongeluk op vrijdag 2 maart 1962. Zoals elke vrijdag had de Venlose voetballer bij Feyenoord getraind en was van Rotterdam in zijn auto op weg naar huis. De auto werd bestuurd door zijn vriend Sef Linssen, die hem vaker vergezelde op zijn tochten van en naar de training in Rotterdam. Autowegen waren er in die tijd niet of nauwelijks, waardoor het een hele trip was. Daarom ook was Klaassens met Feyenoord overeengekomen, dat hij twee keer per week met VVV mocht meetrainen. Alleen de vrijdagtraining, voorafgaand aan de wedstrijd op zondag, moest hij bijwonen.
De tocht ging voorspoedig tot voorbij Den Bosch, waar ze de weg langs de Zuid-Willemsvaart volgden. Ter hoogte van Den Dungen ging het mis. Een tegenligger hield zich niet aan zijn rijbaan - naar later bleek doordat de bestuurder dronken was - en botste frontaal op de auto van Klaassens en Linssen. Die sloeg tweemaal over de kop en beiden werden daarbij uit de wagen geslingerd. Ze kwamen in de berm tussen de weg en het kanaal terecht, maar leken in eerste instantie niet veel te mankeren. Na een kort onderzoek in het Bossche ziekenhuis keerden beiden per trein terug naar Venlo, de auto was total loss.
Toen hij de volgende morgen wakker werd, merkte Jan Klaassens echter meteen dat er iets niet in orde was. Onderzoek in het Venlose Sint Josephziekenhuis wees uit dat enkele halswervels waren gescheurd. Hij werd onmiddellijk opgenomen en ‘vastgeklonken’ in zijn met kilo’s verzwaarde hoofdverband. Bewegen was er zoals gezegd niet bij, zelfs geen millimeter. De voetballer hield er zich vastberaden aan, zelfs toen een verpleegster een mes van een bord liet glijden en dit een bloedende wond net boven zijn oog veroorzaakte. Het niet mogen bewegen, hield ook in dat hij alleen vloeibaar voedsel kreeg en zich niet zelf mocht scheren. Lezen was de eerste tijd onmogelijk, totdat het verplegend personeel een soort periscoop voor hem maakte. Spiegels stelden hem in stat te zien welke zusters of bezoekers zijn kamer binnenkwamen. Over bezoek had hij overigens niet te klagen. Niet alleen zijn familie en vrienden uit Venlo kwamen aan zijn bed zitten, ook KNVB-arts Pannekoek, Feyenoord-trainer Fuchs en Feyenoord-voorzitter Kieboom kwamen al snel langs. Veder ontving hij veel post, van collega-voetballers bij Feyenoord en VVV, van prominenten uit de voetbalwereld en van supporters. Hij kreeg zoveel fruitmanden dat hij naar eigen zeggen wel een fruitzaak had kunnen beginnen.
De ziekenhuisopname van Klaassens was een fikse tegenslag voor Feyenoord. De club uit Rotterdam was voor zijn ongeluk goed op weg naar het tweede opeenvolgende landskampioenschap. Ze stond bovenaan de ranglijst met 38 punten, zes meer dan nummer twee Blauw Wit uit Amsterdam. Van de 22 tot dan toe gespeelde wedstrijden hadden de Rotterdammers er zeventien gewonnen, vier gelijk gespeeld en een verloren. De reeks die na het ongeval van Klaassens volgde was een stuk wisselvalliger. De eerstvolgende wedstrijd - tegen MVV - werd nog wel gewonnen, maar daarna kwamen vijf wedstrijden waarvan er vier in een gelijkspel eindigden en een verloren ging. Twee winstpartijen brachten Feyenoord vervolgens weer in het goede spoor. Na nog een gelijkspel kon de club op 7 mei in Venlo aan De Kraal het landskampioenschap binnenhalen. Maar dat mislukte. Degradatiekandidaat VVV won met 1-0.
Op de tribune bij dat duel - Feyenoord werd overigens een week later kampioen, terwijl VVV dezelfde dag degradeerde - zat Jan Klaassens. Hij had de zwaarste wedstrijd van zijn leven gewonnen. Al veel eerder dan door de doktoren voorzien mocht hij af en toe de hoofdband met gewicht losmaken. Uiteindelijk kon hij het gewicht na zes weken helemaal gedag zeggen en precies acht weken na zijn ongeluk, op vrijdag 27 april, mocht hij het ziekenhuis verlaten.
Van voetballen kwam natuurlijk de eerste tijd niks. Hij moet heel voorzichtig beginnen met wat wandelingen, hadden de artsen hem gezegd. Dat deed hij nog diezelfde dag, want de ondanks dagelijkse massages in het ziekenhuis verslapte spieren wilde hij snel weer op krachten brengen. Bijna een maand later – op 25 mei - stond hij voor het eerst weer op het trainingsveld van VVV. Daarna voerde hij de trainingen snel op. En ook in de periode dat de andere voetballers met vakantiewaren, ging hij gewoon door. Hij werkte keihard aan zijn comeback. Met resultaat, want op 9 juli werd hij goedgekeurd voor het spelen van betaald voetbal en op 7 augustus - vijf maanden na zijn ongeluk - trainde hij weer mee bij Feyenoord. Uiteindelijk speelde hij op zondag 19 augustus zijn eerste wedstrijd, in de vriendschappelijke Rotterdamse derby tegen Excelsior (3-1 winst voor Feyenoord). Het leek alsof hij nooit was weggeweest.
De opzienbarende comeback - nog geen jaar later speelde hij ook weer in het Nederlands elftal - was typerend voor de voetballer Jan Klaassens. Hij werkte, zoals een sportkrant schreef, met dezelfde ‘wilskracht en hardheid tegenover zichzelf, waarmee hij - geen natuurtalent - de hoogste top in de voetbalsport heeft bereikt’, ook aan zijn genezing. Zijn ijver en doorzettingsvermogen maakten dat hij terugkwam. Maar weinigen zouden hem dat hebben nagedaan. En maar weinigen rekenden erop dat het hem zou lukken. Feyenoord bijvoorbeeld had voor de zekerheid al de jonge, talentvolle Thijs Libregts aangetrokken voor het nieuwe seizoen. Klaassens’ plaats kreeg hij echter niet.
VVV
Jan (eigenlijk Jean) Klaassens werd op 4 september 1931 in Venlo geboren. Zijn vader, zijn opa en ook enkele ooms zaten in de horeca. Ze waren eigenaar of exploitant van cafés als het Stationshotel, National, Vader Klaassens en Palermo. Het gezin Klaassens zou uiteindelijk uit vader, moeder en vijf kinderen bestaan. Jan had twee zussen en twee broers. Geen uitzonderlijk sportieve familie, zei hij er later eens van.
Toch was hijzelf al vroeg op het voetbalveld te vinden. Rond zijn tiende was hij al lid van Venlose Boys en speelde hij in een jeugdelftal van de Venlose vereniging. Een paar jaar later volgde de overstap naar VVV. Door de Tweede Wereldoorlog werd het wat moeilijker om in clubverband te spelen, maar Jan bleef gewoon voetballen. Toen de oorlog was afgelopen, begon zijn echte voetballoopbaan. Eerst natuurlijk nog in jeugdelftallen, die met de grote en sterke Jan als midvoor enkele keren op rij kampioen werden. Zijn talent bleef niet onopgemerkt bij de trainer en elftalleiding van het eerste team en zij lieten hem op 12 december 1948 dan ook zijn debuut maken in het hoogste elftal.
Die dag moest VVV het aan De Kraal opnemen tegen Juliana uit Spekholzerheide. De Venlonaren speelden toen in de eerste klasse district IV. In totaal waren er in die tijd in Nederland zes eerste klassen, waarvan de kampioenen in een onderlinge competitie uitmaakten wie de Nederlandse titel kreeg. In de voorgaande drie seizoenen had VVV zich niet meer dan een redelijke middenmoter getoond. Het seizoen 1948/49 begon de club echter zeer voortvarend, de eerste vijf wedstrijden werden gewonnen. Daarna kregen de Venlonaren een flinke inzinking, waarschijnlijk ook de reden voor het opnemen van de zeventienjarige Jan Klaassens in het eerste elftal.
Hoewel het volgens de verslaggever van het Dagblad voor Noord-Limburg geen beste wedstrijd was van VVV, wonnen de geelzwarten met 2-0, waardoor ze zich op de vierde plaats handhaafden. In het krantenverslag dook de naam van Klaassens meteen enkele keren op. Zo noteerde de verslaggever: “De jeugdige midvoor Klaassens kon al spoedig een schot lossen, maar het werd goed gestopt.” Beter ging het met het voorbereidend werk van de debutant: “Klaassens gaf goed diepe passes naar de vleugels, uit een waarvan Sijbers met een goed schot kon scoren.” Waarschijnlijk zwoegde de jonge voetballer die eerste wedstrijd in het eerste al net zo als tijdens latere optredens, want de journalist meldde dat hem de wedstrijd op het eind zwaar begon te vallen. Desondanks waren de verantwoordelijken bij VVV tevreden en had Jan Klaassens met zijn optreden een vaste plaats veroverd in het eerste team, waarin verder onder anderen voetballers als Brinkman (doelman), Carlier, Sijbers, Joosten, Nass en Lommen actief waren. De competitie werd afgesloten met een vierde plaats, het tot dan toe hoogste naoorlogse resultaat.
Meteen al dat eerste seizoen wist Jan Klaassens tevens een plaats te bemachtigen in het Nederlands jeugdelftal. Dat had grote gevolgen voor zijn verdere voetballeven, want tijdens een van de daaropvolgende jeugdinterlands besloot de keuzecommissie die het elftal samenstelde (in die tijd deed de trainer dat niet) hem niet midvoor maar linkshalf te zetten. Een besluit waaraan VVV zich aanpaste door hem vervolgens ook steevast op die plek te laten spelen. Een plaats waarvan hij niet meer wegkwam, al werden er wel eens vraagtekens bij gezet. Bijvoorbeeld door de toenmalige sportcommentator ir. Ad van Emmenes (zeg maar de Mart Smeets van die dagen). Deze vond dat hij “buitengewoon veel en ook zeer goed en nuttig werk weet te verzetten” als linkshalf. Maar voegde hij er aan toe: “Hij komt er echter wel eens toe - aanvaller als hij blijkbaar van nature is - te veel aandacht aan zijn aanvallende taak te geven en dat stijft de VVV-mensen dan weer in hun theorie dat hij in feite meer voorspeler dan defensief voetballer is.” De twijfels bij de VVV-leiding of ze Jan wel op de juiste plaat liet spelen, werden nog een versterkt tijdens een korte trip naar Engeland en Wales in mei 1951. De Venlonaren namen het daar op tegen de profteams van Herford United en Llanelly. De eerste wedstrijden tegen beiden gingen verloren, maar het tweede duel met Llanelly - de kampioen en bekerwinnaar van Wales - wonnen de geelzwarten met 4-1. De optredens van Klaassens in de wedstrijden verleidden een Engelse voetbalkenner ertoe tegen het VVV-bestuur te zeggen dat het idioot was om Jan in de halflinie te zetten. “Ik wil hem voor 500 pond kopen en ik verzeker u dat hij de sensatie van het seizoen zou worden. Na afloop daarvan kan ik voor hem als middenvoor 5000 pond krijgen!”, aldus de Engelsman. Ondanks die woorden bleef Klaassens linkshalf en daar had hij later nooit spijt van.
Met Jan in de gelederen ging het de volgende seizoenen beter met VVV. In het seizoen 1949/50 werd VVV samen met MVV gedeelde derde. Het voetbaljaar erna, toen het aantal eerste klassen door de KNVB met het oog op kwaliteitsverbetering van zes naar vijf was teruggebracht, ging het in het begin heel goed. De Venlose voetballers wonnen de eerste negen wedstrijden allemaal en hadden een doelsaldo van 26 voor en 4 tegen. De voorsprong op nummer twee bedroeg na die negen duels zes punten. Daarna kwam echter de klad in het goede spel. Na zestien wedstrijden resteerde een voorsprong van nog maar één punt en uiteindelijk moest VVV weer met een vierde plaats genoegen nemen. Jan Klaassens was inmiddels een vaste waarde geworden in het eerste elftal van VVV. Hij werd voortdurend geroemd als harde werker, zwoeger of motor van de ploeg. Tijdens de wedstrijd was hij overal te vinden, in de middenlinie, de achterhoede en de voorhoede. Voortdurend bleef hij bezig met het onderbreken van vijandelijke aanvallen en het opzetten van eigen acties richting doel van de tegenstander. Hij liep heel vaak vrij, bood zich aan, passte naar medespelers en waagde regelmatig een (hard) schot op doel. In bijna elk wedstrijdverslag noemden de journalisten hem de grote man van de ploeg, de drijvende kracht of de uitblinker. Een zeer waardevolle speler dus voor VVV.
Klaassens deed er overigens alles voor om op niveau te blijven. Hoewel hij in het Stationshotel werkte, de zaak van zijn vader, dronk hij niet. Roken deed hij ook niet. Hij liet geen training schieten en was altijd zeer gewetensvol met het voetballen bezig. Toen VVV in 1959 de ‘boerebroelof’- een traditioneel onderdeel van het Venlose carnaval dat op carnavalsdinsdag wordt gevierd - mocht organiseren, vroegen ze Jan als bruidegom van het boerenbruiloftstel. Hij weigerde echter, de carnavalsfestiviteiten zouden zijn conditie te zeer schaden. Medespeler Gijs Nass had er minder moeite mee, hij nam Jans plaats maar wat graag in.
Na het seizoen 1952/53, waarin voor VVV ondanks het 50-jarig bestaan geen hoofdrol was weggelegd, kreeg de club te maken met betalingsperikelen. Het betaald voetbal wierp zijn schaduwen vooruit. In het najaar van 1953 werd de club er door de KNVB van beschuldigd de Almelose amateurvoetballer Frans van der Veen een geldbedrag, een baan en een huis te hebben aangeboden als hij bij VVV kwam spelen. De voetbalbond was over de affaire ingelicht door VVV-lid Michel Toussaint. Het bestuur ontkende, maar dat hielp niet. Voorzitter Jo van Daalen en de bestuursleden Sjaek Driessen en Sjraar Broekmans mochten nooit meer een functie bekleden bij de KNVB of een bij de voetbalbond aangesloten vereniging. Ook de andere bestuursleden kregen straf, zij werden voor een of twee jaar geschorst. Uiteraard ging VVV in hoger beroep, zeker toen Toussaint bekende alles verzonnen te hebben. De KNVB hield desondanks voet bij stuk, de straffen bleven gehandhaafd.
Het bleken de eerste schermutselingen voor de niet tegen te houden invoering van betaald voetbal een jaar later. Op initiatief van Egidius Joosten uit Geleen werd in 1954 de Nederlandse Beroeps Voetbal Bond opgericht. Al snel volgden betaalde voetbalclubs. In Venlo ontstond op 3 augustus 1954 Sportclub Venlo ’54. De aantrekkingskracht daarvan op VVV-spelers bleek groot, want bedragen als veertig gulden voor een gewonnen wedstrijd en dertig gulden voor drie trainingen per week waren in die tijd best aanlokkelijk. Zeven VVV’ers maakten de overstap naar Sportclub Venlo ’54, onder wie Herman Teeuwen en Jeu Sijbers. Jan Klaassens was er niet bij. Hij vond dat hij als speler van het Nederlands elftal - hij was sinds 7 maart 1953 international, maar daarover verder op meer - de overstap niet kon maken en was ook bang om geschorst te worden door de bond. Daar kwam nog eens bij dat het Stationshotel van Jans vader het clublokaal van VVV was.
De nieuwe situatie met een amateurclub en een profclub uit Venlo op het hoogste niveau duurde niet lang. Op 25 november 1954 besloten de KNVB en de NBVB samen verder te gaan: betaald voetbal was definitief een feit in Nederland. Een dag later accepteerde de ledenvergadering van VVV de fusie met Sportclub Venlo ’54 en werd Sportclub VVV ’03 geboren. De competitie van dat jaar begon opnieuw. Het eerste elftal van de nieuwe club bestond uit zes spelers van Sportclub ’54 en vijf van VVV, waaronder natuurlijk Jan Klaassens. De rest van het seizoen wist hij zich omringd door spelers als Hai Lamberts, Herman Teeuwen, Tonny van den Hurk, Jan Schatorjé, Gerrit Schencke, Jeu Sijbers, Piet Gubbels, Willy Heger, Frans Swinkels. Jenne Smit en Coy Koopal. Trainer was de Duitser Ferdie Silz.
Klaassens had overigens moeite met die fusie. Hij moest nu weer samen gaan spelen met voetballers die grote bedragen hadden opgestreken door bij Sportclub Venlo ’54 te tekenen. Zelf was de speler door de NBVB benaderd om de overstap te maken, de internationale zou daarmee natuurlijk een voorbeeldfunctie hebben. Een bedrag van 10.000 gulden kon hem echter niet vermurwen. Toen de fusie eraan stond te komen, liet hij weten daartegen gekant te zijn en zelfs speelde hij uit protest een wedstrijd niet voor VVV. Uiteindelijk kon hij het niet tegen houden dat hij ploeggenoot werd van mensen die wel hadden verdiend aan het kortstondige avontuur met Sportclub Venlo ’54. Maar dankzij hen kreeg hij nu wel voor het eerst betaald voor zijn voetballen: vijfendertig gulden bij een overwinning, twintig gulden bij een gelijkspel en een tientje bij een nederlaag. Voor de drie wekelijkse trainingen ontving hij 24,50 gulden.
Een verbintenis waar hij helemaal achter stond was die op 27 december 1956 met Henny Drenth. Jan kende haar al van de mulo, waar ze bij elkaar in de klas zaten. Later werkte ze op het postkantoor, schuin tegenover het Stationshotel van Jans vader. De vriendschap werd verkering en eind 1956 dus een huwelijk. Zes jaar later, op 11 november 1962, kregen ze een dochter: Christine. Het zou hij enig kind blijven.
Terwijl ze beiden afzonderlijk geen potten hadden kunnen breken, deed het gecombineerde elftal van VVV en Sportclub Venlo ’54 het goed in de competitie. Het werd tweede, met twee punten achterstand op kampioen Eindhoven. Een klassering die goed was voor toetreding tot een van de twee hoofdklassen die de KNVB voor het volgende seizoen (1955/56) formeerde. Daarin wist VVV de vijfde plaats te bemachtigen, goed voor opname in de eredivisie die het seizoen erna tot stand kwam. In de drie seizoenen die volgden deed VVV behoorlijk mee in de top van het Nederlandse voetbal, met achtereenvolgens een zevende, een zevende en een negende plek. In de vele jaren dat hij bij VVV speelde, ontwikkelde Jan Klaassens zich verder. Zijn inzet bleef steeds voorbeeldig en de passes die eerst nog wel eens te wensen overlieten werden steeds beter. Daar trainde hij zeer gericht op, zo bekende hij eens aan een sportverslaggever. Zijn technische tekortkomingen schaafde hij zo veel als mogelijk bij. Helemaal kon hij ze natuurlijk niet wegwerken. Karakter, kracht, tomeloze inzet en doorzettingsvermogen bleven zijn sterkste wapens. Net als het elastiekje in zijn wilde haarbos door de jaren heen een van zijn kenmerken bleef.
Veel grote sportieve successen maakte de Venlonaar in zijn eerste VVV-periode, die van 1948 tot 1959 zou duren, met zijn club niet mee. Zijn team draaide steeds keurig mee in de middenmoot of eindigde hoger. Het eerste echt grote succes kwam pas aan het eind van zijn eerste VVV-tijd, met het winnen van de KNVB-beker. Toch had hij al eerder iets wat daarop leek mogen meemaken. In de aanloop naar het later zo turbulente verlopen seizoen 1954/55 deed de Venlose club mee aan het in die tijd prestigieuze toernooi om de Zilveren Bal in Rotterdam. Daarvoor nodigde Sparta elk jaar de beste Nederlandse clubs uit. Zij moesten drie achtereenvolgende weekeinden in een afvalrace bepalen wie de trofee won.
In augustus 1954 nam een sterk verzwakt VVV - het merendeel van de betere spelers was naar Sportclub Venlo ’54 overgestapt - deel aan het toernooi. Tot ieders verbazing haalden de Venlonaren de finale, waarin ze op zondag 29 augustus tegen Xerxes moesten uitkomen. Een sterke tegenstander, waarbij de toen nog jeugdige Coen Moulijn speelde. VVV wist echter met 3-1 te winnen. Twee doelpunten daarvan ontstonden na passes van Jan Klaassens. In de kranten werd hij dan ook weer geroemd: “Bij V.V.V. heeft Klaassens bergen werk verricht. Hij deed dit met een elan, dat bewondering afdwingt. Hij was ongetwijfeld de ziel van heel V.V.V.; hij streed in de middenlinie, hij verleende zijn steun in de aanval, maar hij kwam, zo dit nodig bleek, eveneens de Venlose achterhoede te hulp.”
Klaassens’ grootste succes in zijn eerste VVV-periode volgde bijna vijf jaar later, op woensdag 17 juni 1959. Via overwinningen op Tiglieja, Wittenhorst, Oss ’20, Enschedese Boys, Zwartemeer en Rapid JC bereikte de Venlose club de finale van het toernooi om de KNVB-beker. Een finale die in Den Haag tegen de plaatselijke vereniging en favoriet ADO moest worden gespeeld. Tegen de verwachting in won VVV met 1-4 en veroverde de beker. Een triomf die vooral aan twee spelers was te danken: Herman Teeuwen en Jan Klaassens.
De eerste verrichtte een heldendaad, waarover Venlose voetballiefhebbers meer dan veertig jaar later nog altijd spreken. Bij de stand 1-2 veroorzaakte doelman Swinkels een strafschop. Het Dagblad voor Noord-Limburg van donderdag 18 juni 1959 verwoordde de sensationele gebeurtenis als volgt: “Vijf minuten voor de rust veerde het publiek op: pas toen kwam de zo lange verbeide spanning en sensatie. Timmermans schoot onhoudbaar voor doelman Swinkels tegen de paal en ADO voelde dat doorzetten op dit moment de kans op een overwinning aanzienlijk maakte. Middenvoor Timmer brak met de bal aan de voet gevaarlijk door, keeper Swinkels dook naar de benen van zijn belager en hield ze vast: penalty. Swinkels strompelde geblesseerd tot bij een van de doelpalen en moest zich daar laten verzorgen. Dat nam even tijd in beslag en aan scheidsrechter Roomer was het te zien, dat hij geen uitstel van executie toestond. Geen nood (aan keepers) redeneerde Herman Teeuwen en voor de ogen van 25.000 toeschouwers verwisselde hij zijn ‘maillot jaune’ voor de koolzwarte keeperstrui en ‘politiekte’ vervolgens wat tegen scheprechter Timmer, zodanig dat deze gedéconcentreerd raakte en de bal snoeihard tegen de vuisten van Teeuwen opschoot…”
Jan Klaassens leverde echter een bijna even grote bijdrage aan de bekerwinst, en niet alleen doordat hij het derde VVV-doelpunt op zijn naam bracht. De Sportkroniek, het officiële blad van de KNVB, schreef het volgende over zijn rol in het duel: “In deze ploeg zonder zwakke plekken schitterde het grote talent van Jan Klaassens wel bijzonder. Hij was, zowel vóór rust in de middenlinie als na rust in de voorhoede, de beste man van het veld.”
Dat een man met zoveel kwaliteiten nog altijd bij VVV speelde was natuurlijk een wonder. Aan de betaling lag het niet, die kwam de eerste jaren na de invoering van het betaald voetbal niet uit boven de door de KNVB vastgestelde norm van 3600 gulden per jaar. Verzoeken aan het VVV-bestuur om meer geldelijke waardering haalden niets uit. Klaassens kreeg zelfs geen premies voor het spelen van extra wedstrijden, zoals vriendschappelijke duels. Waarschijnlijk was veel clubs in die eerste profjaren de transferprijs gewoon te hoog. VVV vroeg 100.000 gulden voor de speler, in die tijd een enorm bedrag.
Toch doken snel na de gewonnen bekerfinale de eerste geruchten over een mogelijke transfer op. Op dinsdag 23 juni 959 publiceerde het Dagblad voor Noord-Limburg er een eerste bericht over. Daarin meldde de krant, onder de kop ‘Klaassens naar Feyenoord?”, dat er eerst sprake van was geweest dat de voetballer naar PSV zou vertrekken. Maar dat verhaal bleek niet te kloppen, aldus het dagblad, er was een andere gegadigde. “Ofschoon het Feyenoord-bestuur er zich ongetwijfeld van bewust is dat de transfersom voor Klaassens niet onder de 100.000 gulden zal liggen, heeft het toch reeds contact met Klaassens opgenomen. Feyenoord behoort overigens ook tot de weinige clubs, die in verband met het bedrag dat met aankoop van Klaassens is gemoeid tot een transactie met de bekende international kunnen overgaan. (…) Voor VVV zal een vertrek van Klaassens wat de defensieve kracht van de geelzwarte ploeg aangaat, een geduchte aderlating betekenen.”
Voor VVV was er echter weinig keus, zo bleek later. De Venlose club moest de zo belangrijke speler wel verkopen. Had ze dat niet gedaan, dan was ze vast en zeker failliet gegaan, bekende de toenmalige voorzitter Jo van Daalen achteraf. Na een gastwedstrijd met Feyenoord tegen het Braziliaanse Botafogo lijfden de Rotterdammers hem in. VVV kreeg de zo hard nodige ton, waarvan overigens nog een deel naar Jan Klaassens ging. In zijn agenda noteerde hij op 10 augustus 1959: “ƒ 2125,- uitbetaald, 5% van V.V.V.” Een raadselachtige mededeling, want vijf procent van honderdduizend gulden is vijfduizend gulden. In elk geval was hij vanaf dat moment Feyenoorder. Zijn mooiste voetbaljaren braken aan.
International
De weinige grote successen met zijn club VVV compenseerde Jan Klaassens door zich steeds in vertegenwoordigende elftallen te spelen. Al op jeugdige leeftijd viel hij de keuzeheren van regionale, provinciale en nationale teams op. Zo speelde hij twaalf keer in het Nederlands jeugdelftal (waarvan negen keer als aanvoerder) en dertien keer in het Nederlands militair elftal voordat hij op 7 maart 1953 zijn opwachting mocht maken als echte international. Daarvoor was hij bovendien uitgekomen voor het Zuid-Nederlands elftal, het Limburgs elftal en het voorlopig Nederlands elftal (een soort B-team).
De uitverkiezing van de 21-jarige Klaassens voor het Nederlands elftal, met daarin verder onder anderen Abe Lenstra, Mick Clavan, Piet van der Kuil, Hans Boskamp en Rinus Terlouw, was vooral in de Limburgse kranten groot nieuws. Eindelijk stond er weer een Limburger in Oran je. Jan was de elfde voetballer uit de provincie die het nationale team haalde. Beroemde voorgangers waren Pierre Massy en Jeu van Bun. Klaassens was bovendien de eerste Venlonaar die zich in Oranje speelde. Reden voor veel VVV-fans om hem in het Stationshotel van zijn vader aan de Keulse Poort, waar hij in de week voor de wedstrijd gewoon achter de tap stond, te gaan feliciteren. Een verslaggever vertelde hij verrast te zijn door zijn uitverkiezing, maar evengoed had hij alle vertrouwen in de goede afloop van de wedstrijd tegen Denemarken.
Ook de kranten waren in hun voorbeschouwing optimistisch over zijn optreden. De Gazet van Limburg schreef dat de middenlinie van het Nederlands elftal door zijn opstelling nog massiever was geworden: “Terlouw is nu niet direct voor een kleintje vervaard en ook de fysieke constitutie van Klaassens is van dien aard, dat men mag verwachten dat zijn optreden in het Nederlands elftal ten minste even succesvol zal zijn als bij de twaalf maal dat hij in het Nederlands jeugdelftal uitkwam. Deze 21-jarige knaap, ijzersterk van gestel en zeer fors van postuur, heeft een harde trap en een uithoudingsvermogen als een paard.”
Het optimisme werd echter niet bewaarheid. In het Feyenoord-stadion ging Oranje met 2-1 onderuit tegen de Denen. De Nederlandse spitsen lieten het afweten en de Deense doelman blonk uit. De meningen over Klaassens’ debuut waren verdeeld. Waar de ene krant meldde dat hij niet bij de uitblinkers behoorde maar wel een nieuwe kans verdiende, rekende de ander hem daar wel bij. De toen zeer bekende verslaggever Herman Kuiphof schreef in het blad Sportkroniek dat hij het een genoegen had gevonden naar ‘de lange, blonde reus uit Venlo’ te kijken. Kuiphof: “Enorm heeft hij gezwoegd, deze ‘dwangarbeider’ van het middenveld. Zeer veel werk heeft hij verzet. Het is jammer, dat het tempo van zijn daden niet wat hoger ligt, daardoor kan de tegenpartij er zich vaak op instellen en wordt hij zelf nog al eens voorbij gespeeld, maar daar staat tegenover, dat zijn ontzagwekkend uithoudingsvermogen en zijn lange ‘reach’ (lang van body, lang van benen) hem in staat stellen, veel terrein te bestrijken. Hij heeft onze aanval gesteund met een vloed van passes, waarvan de meerderheid behoorlijk op maat gesneden was. Hij heeft nog de neiging, te veel hooi op z’n vork te willen nemen, waardoor hij medespelers soms in de weg loopt. Maar overigens - alle lof voor Klaassens.”
De Venlonaar kreeg door zijn grote inzet op het eind van de wedstrijd last van kramp en was toen het laatste fluitsignaal klonk helemaal leeggespeeld. Het weerhield hem er niet van de dag erna gewoon met VVV mee te spelen in het duel tegen Juliana uit Spekholzerheide. De Venlonaren verloren met 4-1, volgens de verslaggever van het Dagblad voor Noord-Limburg vooral door de wisselingen in de ploeg. VVV had Jan Klaassens midvoor gezet en zijn afwezigheid in de halflinie was te merken. Als spits bracht Jan er die dag niets van terecht, maar vergoelijkend schreef de journalist zijn falen toe aan het feit, dat de interlandwedstrijd hem nog in de benen zat”.
Met zijn partij op zaterdag had Jan Klaassens zich echter, zo zou laten blijken, voor langere tijd in het Nederlands elftal gespeeld. Twee jaar later had hij bijvoorbeeld al tien interlands op zijn naam staan en er zouden er nog heel wat volgen. Met zijn deelname op zondag 16 oktober 1955 in de wedstrijd Nederland - België onttroonde hij Pierre Massy als Limburgs record-international. De Venlonaar speelde die dag zijn dertiende interland, terwijl de Roermondenaar op twaalf was blijven steken.
Als hoogtepunt van zijn Oranje-loopbaan noemde Klaassens later altijd de vriendschappelijke wedstrijd Duitsland - Nederland op 14 maart 1956 in het Rhein-stadion van Düsseldorf. Het was de eerste naoorlogse interland tegen de oosterburen, die in 1954 in Zwitserland de wereldtitel hadden veroverd. En hoewel ze die daarna niet echt waarmaakten, want van de tien wedstrijden die ze tussen het wereldkampioenschap en het duel met Nederland speelden verloren ze er zeven, vormden ze toch een tegenstander van formaat. In de voorbeschouwingen werd dan ook niet op een overwinning van Oranje gerekend.
De voorbereidingen voor het duel op woensdag vonden vanaf de zaterdag ervoor in Venlo plaats, niet zo gek gezien de geringe afstand tot Düsseldorf. En zeker niet vreemd vanwege de grote Limburgse inbreng in Oranje. De keuzecommissie had liefst zes in Limburg spelende voetballers opgesteld, vier van Fortuna (De Munck, Van der Hart, Appel en debutant Notermans) en twee van VVV (Klaassens en debutant Coy Koopal). Een nu welhaast utopische situatie. De spelers van het Nederlands elftal logeerden in Hotel Wilhelmina en trainden onder grote belangstelling in stadion De Kraal aan de Kaldenkerkerweg. Pas op dinsdagmorgen ging het richting Duitsland.
Voor de Duitsers stond in het vriendschappelijke duel meer op het spel dan voor de Nederlanders. Gezien de slechte resultaten na het behalen van de wereldtitel mochten ze eigenlijk niet verliezen, terwijl het Oranje-team net pas begonnen was aan de weg omhoog waardoor een eventueel tegenvallend resultaat niet zo erg zou zijn. Het belang van de wedstrijd bracht Duitse journalisten er toe naar Venlo af te reizen, waar ze natuurlijk met Jan Klaassens, maar ook met zijn moeder spraken. Jan, die door trainer Max Merkel als aanvoerder was aangewezen, liet bescheiden weten al tevreden te zijn met een kleine nederlaag. Moeder Klaassens vertelde meer dan haar meestal zwijgzame zoon. Ze vertrouwde een verslaggever toe heel erg trots te zijn op haar zoon en bij al zijn wedstrijden op de tribune te zitten. Ze droeg dan steevast een rood hoedje, zodat hij kon zien waar ze zat. Bij aanvang van de wedstrijd, als de teams rond de middencirkel stonden aangetreden, zocht hij haar altijd. Ze was ervan overtuigd dat haar aanwezigheid hem zelfvertrouwen gaf. Alleen al daarom zou ze er in Düsseldorf zeker bij zijn.
Al voor de aftrap die woensdagmiddag had Jan Klaassens een glorieus moment. Hij mocht handen schudden en vaantjes uitwisselen met de legendarische Duitse aanvoerder Fritz Walter. In de wedstrijd volgden nog veel meer memorabele momenten. Een strijdvaardig Nederlands elftal won verrassend met 1-2 van de Duitse wereldkampioen door twee doelpunten van Abe Lenstra. Toch was niet de Fries de grote man aan de kant van oranje, maar Klaassens. Herman Kuiphof schreef in de Sportkroniek een lofzang: “Was Fritz Walter, Duitslands voetbalidool, de mooiste voetballer, Jan Klaassens uit Venlo was de nuttigste. Gewapend met longen als blaasblagen, toegerust met een never say die-mentaliteit en tegenwoordig voorzien van een veel betere plaatsingskunde dan voorheen, toog de Nederlandse aanvoerder ten strijde op een manier, die in hoge mate inspirerend voor onze speler is geweest. Het is waar, dat Nederland af en toe met de rug tegen de muur heeft gevochten, maar het evenzeer waar, dat Klaassens onze tegenstand dirigeerde en inspireerde op ’n wijze, welke de Duitsers ervan weerhield, ons te ringeloren.”
Lof werd hem door vrijwel alle Nederlandse kranten toegezwaaid. Ook de Duitse lieten zich niet onbetuigd. Terwijl de Duitse fans al bij het verlaten van het stadion ten elkaar zeiden dat ‘der Sechs gut war’, herhaalden de verslaggevers dat in de extra edities die de meeste Duitse dagbladen op de markt brachten. Van Klaassens werd gezegd dat hij de beste man van het veld was. Een veld overigens, dat na afloop van de wedstrijd door het Nederlands legioen werd bezet. Zo’n tienduizend supporters waren Oranje gevolgd en huldigden de spelers na de zege. De triomfale terugkeer naar huis een dag later ging ook weer via Venlo. Aan de grens brachten douaniers het team een bloemenhulde, terwijl langs de Kaldenkerkerweg mensen stonden te zwaaien. Het Venlose gemeentebestuur organiseerde in allerijl een ontvangst voor de Oranjespelers, waarop burgemeester Van Rooy het succes verklaarde door erop te wijzen dat de voorbereiding in zijn stad had plaatsgevonden. Na een afscheidsdiner in Hotel Wilhelmina was het eerste grote voetbalfeest na de oorlog voorbij.
Uiteraard waren er meer hoogtepunten in de interlandloopbaan van Jan Klaassens. Zelf rekende hij daar zeker de Derby der Lage Landen tegen België bij, op zondag 4 oktober 1959. Oranje won de wedstrijd in het Feyenoord-stadion met de historische cijfers 9-1. Zeker zo blij was de Venlonaar met zijn eerste doelpunt als international. Tien minuten voor tijd maakte hij 8-0 en zo had hij na 41 keer in het Oranje-shirt eindelijk gescoord. Aan een verslaggever van De Tijd-Maasbode vertelde hij dat hij echt op het doelpunt had gejaagd. “Gisteren zei Schwartz (de toenmalige trainer van het Nederlands elftal, A.G.) nog: ‘Schiet maar niet want je kan toch niet raak schieten’. Heb ik hem mooi tuk gehad of niet?” Ook zijn medespelers waren erg blij voor de Venlonaar. Jan Notermans vroeg verslaggever Theo Vincken van het Dagblad voor Noord-Limburg met klem de goal van Jan Klaassens te vermelden. Uiteraard deed hij dat.
Jan Klaassens bracht het uiteindelijk tot 57 interlands. Een opmerkelijk aantal omdat er vooral in het begin van zijn Oranje-loopbaan veel kritiek op hem was en zijn plek in het team meerdere keren ter discussie stond. De kritiek kwam er op neer dat hij een beperkte voetballer was en alleen voldeed als zwoeger en breker van vijandelijke aanvallen. Aan het opbouwen van eigen aanvallen kwam hij niet toe en zijn passes lieten te wensen over. Technisch was hij sowieso niet erg begaafd. Na een aantal jaren verstomde echter de kritiek, die met name kwam van journalisten als ir. Ad van Emmenes. De Venlonaar had er alles aan gedaan om zijn spel te verbeteren. Tijdens de centrale training voor het Nederlands elftal had hij onder meer apart geoefend met de bondscoaches Van der Leck en Kaufman. Zij legden een bal in de middencirkel en hij moest die dan met een andere bal zien te raken. Niet alleen uit stilstand, maar ook als hij de bal in de loop kreeg aangespeeld. Als het goed ging, werd de afstand tussen beide ballen vergroot.
Mede door die extra arbeid kon het Dagblad van Oost-Brabant op 4 januari 1956 het volgende vaststellen: “Hij is meer tevreden met het over de zijlijn werken van de bal. Hij weet dat in modern voetbal de aanval op het middenveld wordt opgebouwd, hij weet dat niet alleen, hij handelt er ook naar. Wanneer Klaassens tegenwoordig de tegenpartij het leder heeft ontfutseld, volgt niet meer een harde, veelal ongeplaatste schop naar voren; nu plaatst hij de bal en loopt onmiddellijk daarna vrij om zijn voorhoede te kunnen stuwen.”
Dezelfde teneur had een brief die Klaassens aan de vooravond van zijn gouden jubileum als international op 26 september 1960 kreeg van H.P. Holboom, een voormalig lid van de keuzecommissie die het Nederlands elftal samenstelde. Deze zag het als een eer voor de keuzecommissie dat de Venlonaar aan zijn vijftigste interland toekwam. “We kregen veel onterechte kritiek (Jan was een speler zonder talent, Jan zou nooit leren plaatsen, met zulke spelers kwam je nooit terug op internationale voetbalmarkt. Jan zou nooit een international van klasse worden, enz. enz.) omdat we jou bleven opstellen”, schreef hij. “Lees voor de aardigheid maar eens wat de ‘grote deskundigen’ destijds hierover hebben geschreven. Ongetwijfeld zullen deze lieden nu naar voren brengen, dat Jan Klaassens een nog steeds onmisbare kracht is voor het Nederlands elftal en dan hebben ze deze keer volkomen gelijk. Laat ook dit alles maar over je heen gaan in dezelfde geest als de kritiek, die destijds over je hoofd is uitgestort en vergeet nooit wie je ware vrienden zijn.”
De jubileuminterland was een duel tegen de Belgen dat op zondag 2 oktober 1960 in Antwerpen plaatsvond. De 91ste Derby der Lage Landen betekende overigens ook een jubileum voor Oranje: het Nederlands elftal trad voor de 250ste keer aan voor een officiële wedstrijd. Door met 1-4 te winnen in de Hel van Deurne gaf het team Jan en zichzelf een gepast cadeau. Presentjes kreeg hij ook nog tijdens een huldiging in Venlo de dag erna. De supportersvereniging van VVV die het feest had georganiseerd wilde Jan door fanfare Fortissimo laten ophalen bij zijn woning aan de Heilige Geeststraat. In een open landauer zou hij dan achter de fanfare aan moeten rijden naar het clublokaal, het café van zijn vader aan de Parade. Maar de voetballer weigerde dat, vond het teveel eer. Hij reed met de auto van een bestuurslid van de supportersvereniging naar de Parade. Daar werd hem door het muziekgezelschap een serenade gebracht, waarna hij in het café van tal van Venlonaren cadeaus en felicitaties kreeg. Zo schonk de joodse familie Kalmann de voetballer een naar hem genaamde boom die in Israël geplant zou worden. Toen VVV’s erevoorzitter Jo van Daalen de hoop uitsprak dat hij zijn loopbaan bij de Venlose club zou beëindigen, sprongen Jan de tranen in de ogen.
Het jubileum was voor veel journalisten aanleiding om weer eens uit te weiden over de loopban van Klaassens en zijn voetbalkarakter - hij had nog altijd een blanco strafregister! Ze probeerden elkaar welhaast te overtreffen in positieve kwalificaties. De ene noemde hem de meest bescheiden en sympathiekste voetballer die ook in Oranje had gespeeld, terwijl de andere zijn sportiviteit, wilskracht en doorzettingsvermogen loofde en weer een andere zijn degelijkheid, collegialiteit en inzet. Eentje stelde zelfs dat hij in negentig minuten twee wedstrijden speelde. Verder vonden ze het prettig dat hij nooit vedette-neigingen vertoonde en dat het succes hem niet naar het hoofd was gestegen. Natuurlijk refereerden ze ook aan zijn mindere jaren en sommige vroegen er Jan zelf naar. Hij mocht nou eindelijk zeggen dat hij dat gezeur op een gegeven moment moe was geweest. Altijd maar diezelfde verhalen. Maar van de andere kant hadden ze hem gestimuleerd om flink aan zijn techniek te schaven.
De kranten meldden ook allemaal dat hij hard op weg was om het tussen 1925 en 1938 neergezette record van Puck van Heel als international te breken. Die had er 64 op zijn naam staan, een aantal dat gezien de leeftijd van Jan Klaassens - hij was net 29 geworden - door hem te evenaren moest zijn. Zelf zag hij dat eveneens wel zitten, verklaarde hij tegen Herman Kuiphof. “Laat ik het zo stellen: ik heb in het algemeen een hekel aan opdrachten in het veld (…) Maar ik heb me zelf de opdracht gegeven, de 64 te halen. Of, laten we zeggen, de 65.”
Een dik jaar later en drie wedstrijden met Oranje verder leek dat opeens twijfelachtig. Na de uitschakeling in de kwalificatie voor het wereldkampioenschap door het 3-0 verlies tegen Hongarije in april 1961 klonk de roep om vernieuwing en verjonging van het elftal. Klaassens werd daar een van de slachtoffers van. Onterecht vond hij zelf, want hij was die wedstrijd geblesseerd geweest. Zeker na zijn ongeluk begin maart 1962 zag het er echter naar uit dat het duel met de Hongaren zijn laatste interland zou blijven. Maar iedereen verkeek zich op het karakter van de Venlonaar. In de wedstrijd tegen Zwitserland op zondag 31 maart 1963 was hij er weer bij. In het Wankdorf-stadion te Bern werd het 1-1. Een resultaat waar de Nederlanders heel blij mochten zijn, want de Zwitsers waren veel sterker. Maar door het goede spel van doelman Eddy Pieters Graafland, aanvoerder Fons van Wissen en, jawel, Jan Klaassens bleef het bij een remise. “Het was alsof de Venlonaar nooit uit het Oranje-team was weggeweest’, meldde een krant.
Na zijn 54ste interland volgden er in 1963 nog drie, maar toen bleek het ook echt afgelopen. Op woensdag 11 september van dat jaar stond hij in het Oranje-team dat me 1-1 gelijkspeelde tegen Luxemburg. Bondscoach Elek Schwartz had voor dat duel buiten Klaassens onder anderen Guus Haak, debutant Klaas Nuninga, Tonny van der Linden, Sjaak Swart, Eddy Pieters-Graafland, Daan Schrijvers, Coen Moulijn, Piet Ouderland en Tonnie Pronk opgeroepen. Na die van Nederlandse kant niet bijster beste wedstrijd werd hij nooit meer geselecteerd zodat zijn totaal op het respectabele aantal van 57 wedstrijden in het Oranje-shirt bleef steken. De manier waarop dat gebeurde, zat hem jaren later nog dwars. Na meer dan tien jaar trouwe dienst kreeg hij niet eens een briefje met uitleg van bondscoach Elek Schwartz. Hij werd botweg niet meer opgeroepen voor Oranje.
Tabakswinkel
Jan Klaassens combineerde tijdens zijn hele voetballoopbaan de sport met werk. In zijn eerste jaren bij VVV stond hij overdag en ’s avonds achter de bar in het door zijn vader uitgebate Stationshotel. Daar kreeg de niet-drinker en niet-roker het idee om een tabakswinkel te beginnen. De locatie ervoor werd gevonden bij het nieuwe café dat zijn vader ging exploiteren aan de parade, overigens de oude zaak van de Venlose revue-legende Sef Cornet. Aan de straatkant beschikte dat over een kleine ruimte van ongeveer drie bij vier meter. Het voor de sigarenzaak benodigde diploma Vakbekwaamheid voor de Kleinhandel in tot verbruik bereide Tabak en het Middenstandsdiploma behaalde hij respectievelijk in juni en juli 1954. De feestelijke opening van Sigarenmagazijn Jan Klaassens aan de Parade 53 vond op dinsdag 30 november om 16.00 uur plaats.
Om de Venlonaren attent te maken op de opening van zijn winkel stuurde hij kaartjes rond met daarop onder meer de volgende tekst: “Mijn streven zal er op gericht zijn met een zo ruim mogelijke sortering in deze branche en een coulante bediening steeds aan uw wensen tegemoet te komen. Ik veroorloof mij bij deze de vrijheid mij in Uwe gewaardeerde gunst aan te bevelen, en moge U daartoe tot een bezoek aan mijne zaak uitnodigen.” Als cadeau gunde de in die maand november net ontstane betaald voetbal organisatie Sportclub VVV ’03 hem de voorverkoop van de kaarten voor de eerste wedstrijd.
In het winkeltje verkocht de voetballer niet alleen sigaren, sigaretten, tabak- en aanverwante rookartikelen, maar ook snoep, lotto- en toto-formulieren en VVV-kaartjes. Omdat de winkel zo klein was, bewaarde hij zijn voorraad in het ernaast gelegen café van zijn vader. Wanneer er drie mensen binnen stonden, was de zaak vol. Wilde er nog een klant in, dan moest er eerst een ander uit. Vanaf het begin liep Jans nering goed. Niet alleen Venlonaren kwamen bij hem hun rookwaren kopen, ook vanuit de dorpen in de omgeving togen mensen naar de Parade. Vaak supporters die graag met de voetballer over de voorbije of de komende wedstrijden wilden praten. Wanneer hij moest spelen of door interlandverplichtingen langer van huis was, nam zijn vrouw Henny de honneurs in de zaak waar. Zij was door de jaren heen zijn steun en toeverlaat.
Al na enige maanden kon hij een journalist trots vertellen dat het prima ging met zijn zaak. Door de jaren heen bleef dat zo, noteerde een andere verslaggever. “Maar die hele grote man in dat hele kleine winkeltje heeft een klanten-toeloop, waarover men versteld staat. En nu hebben we niet eens de klandizie gezien, die toestroomt, als er pas een interland achter de rug is. Velen komen namelijk niet, omdat een niet nader te noemen merk sigaretten bij Jan Klaassens beter is dan bij een ander, maar omdat die-man-achter-de-toonbank een trekpleister is. Men komt om te praten over voetbal… voetbal op het hoogste niveau. Jan Klaassens is beslist geen prater. Misschien is dat ook wel prettig, want nu kunnen de klanten praten. Voetbal is een onuitputtelijk onderwerp van gesprek.”
Vrijwel gelijk met de opening van zijn sigarenmagazijn begon Klaassens ook als voetballer geld te verdienen. Dat was voor hem echter vooral een mooie aanvulling, want ook toen hij vanaf 1959 bij Feyenoord meer ging verdienen als voetballer kon hij extra dingen doen, zoals een mooier en groter huis kopen. In zijn begintijd als profspeler was de betaling niet echt riant. VVV betaalde hem bijvoorbeeld in het seizoen 1955/56 veertig gulden voor een gewonnen wedstrijd, 25 gulden bij een remise, een tientje bij verlies en eveneens tien gulden per training. Ook zijn optredens in het Nederlands elftal werden vanaf eind 1954 betaald. Een training leverde hem een tientje op, terwijl winst in een interland goed was voor honderdvijftig gulden. Verbaasd bekende hij midden jaren vijftig aan een verslaggever dat hij soms wel driehonderd gulden per maand verdiende met voetballen.
Het winkeltje werd al snel het decor voor reportages over Jan Klaassens en interviews met hem. Zodra er een aanleiding w reisden journalisten naar Venlo en bezochten de voetballende sigarenwinkelier. Omdat die niet zo veel zei, hadden de verhalen vaste ingrediënten, zoals een beschrijving van de piepkleine zaak, een bespreking van de klantenkring en de vaststelling dat het toch opmerkelijk was dat de eigenaar van een naast een café gelegen tabakszaak niet rookte en niet dronk. Geregeld kwamen ook de vader en moeder van Jan aan het woord, want die zeiden al snel meer dan hun zoon. “Je moet de woorden uit zijn mond trekken, hé?”mocht moeder dan zeggen. Meestal voegde ze er aan toe dat hij zelfs na een wedstrijd niks vertelde. Op de vraag of hij goed had gespeeld, antwoordde hij volgens haar altijd: “Dat ging wel.”
Na het beëindigen van zijn voetballoopbaan zette Jan de zaak op dezelfde wijze voort. En de Venlonaren bleven komen voor sigaretten en sigaren, maar vooral voor een praatje over voetbal. Want zijn kijk op het Nederlandse voetbal en zeker de verrichtingen van VVV bleef voor velen van belang. “Een klant verlangt meestal meer dan ’n pakje sigaretten”, stelde Jan vaak vast, overigens ook tot zijn eigen genoegen.
Feyenoord
De financiële redding van VVV was natuurlijk niet alleen de reden voor de transfer van Jan Klaassens in de zomer van 1959 naar Feyenoord. Ook de speler voer er wel bij. Hij kreeg een deel van de vergoedingssom en ging in Rotterdam beduidend meer verdienen. Hoeveel precies wilde hij nooit tegen journalisten vertellen, zodat zij erover gingen speculeren of hij nu semi- dan wel full-prof was. In dat laatste geval zou hij een vast jaarsalaris van tienduizend gulden krijgen plus de wedstrijdpremies. Zoals gezegd, Jan hield zijn mond, hij wilde alleen kwijt dat Feyenoord hem zo’n aantrekkelijk voorstel had gedaan “dat men mij overal voor een stommerik had uitgemaakt als ik daar niet op was ingegaan.”In de praktijk kwam het erop neer dat hij een semi-prof contract had. Hij verdiende tijdens de vijf jaar die hij bij de Rotterdammers speelde jaarlijks vijfduizend gulden “voor deelneming aan trainingen en competitiewedstrijden van het 1e en 2e elftal”, zo stond in zijn contract. Daar kwamen de premies nog eens bovenop.
Uiteraard liet de zo aan Venlo en VVV verknochte Klaassens (hij had tot enkele weken voor de transfer absoluut niet aan een vertrek gedacht) zich niet alleen door het geld lokken. Na twaalf jaar VVV wilde hij toch ook wel eens hogerop. Tegen een verslaggever van de Maas- en Roerbode zei hij op 31 augustus 1959: “Ik heb er altijd naar verlangd in een elftal te spelen, dat uitsluitend is samengesteld uit klasse-voetballers.”Wat die overgang naar Feyenoord extra prettig maakte, was de trainingsregeling die hij had bedongen. Twee keer per week kon hij gewoon bij VVV gaan oefenen en indien nodig zou de trainer van de Venlonaren, Willy Kment, hem nog eens extra onder handen nemen. Met VVV had Jan bovendien kunnen regelen dat hij de voorverkoop van de entreekaarten mocht blijven doen in zijn winkeltje. Het café van zijn vader bleef ook gewoon het clublokaal van de geelzwarten. “Zelden heeft Nederland een transfer beleefd, die op zo’n prettige wijze geregeld is: met het ene been in Feyenoord, met het ander in V.V.V.”, schreef de Maas- en Roerbode dan ook.
De klasse-voetballers waar mee Jan Klaassens zo graag samen wou gaan spelen vond hij bij Feyenoord. De Rotterdamse club had in de voorgaande jaren volgens voetballiefhebbers vaak droomvoetbal gespeeld, maar was er niet in geslaagd dat te verzilveren via het kampioenschap. De verdediging liet het daarvoor te vaak afweten. Daarom haalde voorzitter Cor Kieboom in 1959 nog een speler van het kaliber-Klaassens naar De Kuip: Reinier Kreijermaat. Samen met Gerard Kerkum gaven zij Feyenoord een keiharde, altijd knokkende kern. De Venlonaar had weinig aanpassingsproblemen in Rotterdam, mede omdat hij in 1959 al kon bogen op zo’n veertig wedstrijden interland-ervaring. Na een wedstrijd of vijf had hij zijn draai gevonden, zijn spel aangepast aan de nieuwe omstandigheden. “Bij VVV moest ik werken als een karrepaard”, vertelde hij een verslaggever van Het Vrije Volk, “omdat wij beschikten over minder voetbalkwaliteiten. Wij moesten compensatie vinden in een overmatige hoeveelheid energie. Bij Feyenoord is uiteraard meer voetbaltalent verzameld, zodat mijn spel een ander karakter moest krijgen.”
Klaassens wist zich zelfs staande te houden tussen Rotterdamse lolbroeken als Cor van der Gijp en Henk Schouten. Zij probeerden elke nieuwkomer op de kast te jagen. Bij Jan lukte dat niet. Als Van der Gijp na Jans bestelling van ‘een hard tarwebroodje belegen kaas met een glas jus d’orange’ riep dat hij chronisch geelzucht had en iedereen voor hem uit moest kijken, reageerde hij niet. Zoals hij ook geen kik gaf toen de pestkoppen in de trein op weg naar Groningen zijn kleding onder de loep namen en onder meer stelden dat zijn broek van kangoeroeleer was gemaakt. Hij knikte alleen maar en was snel geaccepteerd. Zelfs zijn uitgesproken zuinigheid, die er onder meer toe leidde dat hij niet om geld wilde kaarten, werd door de medespelers aanvaard.
Bij Feyenoord beleefde Jan Klaassens de grootste successen uit zijn loopbaan. Meten al het eerste seizoen ging het, na een aarzelende start met onder meer een gelijkspel tegen VVV, heel goed met de Rotterdammers. Ze eindigden op een met Ajax gedeelde eerste plaats in de eredivisie, zodat een beslissingswedstrijd uitkomst moest bieden. Die ging echter met liefst 5-1 verloren. Het seizoen daarop liep van meet af aan beter en dat leverde de ploeg na 21 jaar eindelijk weer eens een landskampioenschap op: het zesde. De titel werd op zondag 26 mei 1961 in de eigen Kuip binnengehaald na een 2-1 winst op Rapid JC. Het kampioensteam bestond uit: Pieters Graafland, Kerkum, Veldhoen, Kreijermaat, Walhout, Klaassens, Bennaers, Bouwmeester, Van der Gijp, Schouten en Moulijn.
Klaassens mocht dus voor het eerst een landskampioenschap meemaken. Na afloop van de wedstrijd ging hij op de schouders van supporters en werd hij met al zijn medespelers door de 60.000 toeschouwers toegejuicht. Een rijtoer door de stad en een ontvangst op het stadhuis completeerden het feest voor het kampioenschap, waaraan de Venlonaar een grote bijdrage had geleverd. Feyenoord-voorzitter Kieboom drukte het zo uit: “Jan Klaassens heeft ons een pet met dubbeltjes gekost, maar hij heeft een hoge hoed met goudstukken opgeleverd voor ons elftal.” Jans feestvreugde werd nog eens verhoogd doordat VVV als derde in de eredivisie eindigde, de hoogste positie die de club ooit behaalde.
De in Rotterdam enorm populaire Venlonaar - hij had in de stad een eigen fanclub die maandelijks een clubblad uitbracht - kon het volgende seizoen niet afmaken door de ernstige kwetsuur die hij opliep bij het ongeluk op 2 maart 1962. Mede daardoor zwoegde Feyenoord (voor het seizoen versterkt met onder anderen Hans Kraay, waardoor de vier K’s, in het team speelden: Kraay, Kreijermaat, Klaassens en Kerkum) naar het eind van de competitie. Volgens Het Vrije Volk had het ongeluk van Jan twee gevolgen. Niet alleen werd hij zelf node gemist, maar door zijn absentie verdween de eenheid uit de ploeg. “De volgende reeks wedstrijden streed Feyenoord met verbrokkelde linies, vechtend tegen zich zelf, met steeds minder zelfvertrouwen.” Maar uiteindelijk werd op 13 mei de tweede landstitel op rij binnengehaald. Opnieuw was er feest en waren er huldigingen. Bij die festiviteiten was ook de twee weken eerder uit het ziekenhuis ontslagen Jan Klaassens. Het uitreiken van de kampioensschaal veranderde in een huldebetoon aan de Venlose voetballer. De 64.000 toeschouwers scandeerden: ‘Klaassens… Klaassens, Klaassens…’Hij moest naar het ereterras komen, en terwijl hij daar met de tranen in de ogen stond, juichten en applaudisseerden de fans. Volgens het Rotterdamsch Nieuwsblad was hij misschien wel de gelukkigste man in het stadion.
De landskampioenschappen van Feyenoord hadden als prettig gevolg dat de club voor het eert in haar bestaan mee mocht doen aan het Europa Cup I-toernooi. Daarin was het even wennen, want de eerste keer kwamen de Rotterdammers niet echt ver. In de voorronde schakelden ze IFK Götenborg met gemak uit, want in Zweden wonnen ze met 3-0 en thuis zelfs met 8-2. De volgende opponent, het Engelse Tottenham Hotspur, was hen echter te machtig. In De Kuip verloren ze met 3-1 en in Londen werd het 1-1. Het seizoen erna duurde het Europa Cup-avontuur een stuk langer, al ging het in het begin heel moeizaam. In de eerste ronde was het Zwitserse Servette de tegenstander. Uit wonnen de Rotterdammers met 3-1, maar thuis gingen ze heel onverwachts met dezelfde cijfers onderuit, zodat een beslissingswedstrijd nodig was in Düsseldorf. Die wist Feyenoord met 3-1 te winnen. In de volgende ronde was de Hongaarse kampioen Vasas Boedapest de tegenstander. Weer waren drie duels nodig om verder te komen. Na een 1-1- gelijkspel en 2-2 uit, moest een derde duel de beslissing brengen. De wedstrijd werd in Brussel gespeeld waardoor meer dan 30.000 fans uit Rotterdam er een thuisduel van konden maken. Feyenoord won met 1-0 en kwalificeerde zich voor de kwartfinale. Daarin moest het zich meten met de Franse titelhouder Stade de Reims, een roemruchte club die het al twee keer tot de Europacupfinale had gebracht. Tot ieders verrassing versloegen de Rotterdammers de Fransen in Parijs met 01-. Reden genoeg voor een feestje in het Lido, waarbij de spelers maar wat graag met de Blue Bellgirls op de foto gingen. Op eentje na dan: Jan Klaassens. Hij weigerde omdat de meisjes erbij liepen zoals ze geboren waren en hij vond dat niet kunnen. Het op deze spectaculaire wedstrijd volgende gelijkspel, 1-1, betekende dat voor het eerst in de nog korte geschiedenis van de Europa Cup een Nederlandse club in de halve finale stond.
Tegenstander in de halve finale, die heel voetbalminnend Nederland in euforie bracht, werd Benfica met de toen al legendarische Eusebio in de gelederen. De Portugezen hadden de twee jaren ervoor de Europa Cup gewonnen en wilden deze kost wat kost behouden. Feyenoord startte met een thuisduel, dat net zo eindigde als het begon: 0-0. Hoewel de uitgangspositie voor Benfica beter was, hadden heel veel Rotterdamse fans hoop op een goede afloop. Er kwam daardoor een voor die tijd ongekende volksverhuizing op gang richting Lissabon. De supporters reisden niet alleen per vliegtuig, maar ook per boot naar Portugal. Op 5 mei 1963 vertrokken de Groote Beer en de Waterman met honderden supporters aan boord. Die werden uitgezwaaid door honderdduizenden Nederlanders die zich langs de Nieuwe Waterweg hadden opgesteld.
De wedstrijd in Lissabon op woensdag 8 mei 1963 werd echter een teleurstelling voor de vierduizend Nederlanders in het Estadio da Luz. Benfica won met 3-1, door onder meer een omstreden handsdoelpunt van Augusto. Hoe hard de Feyenoorders ook werkten, ze konden het niet winnen van de Portugezen, die dankzij hun grote Europese ervaring net iets slimmer te werk gingen. Jan Klaassens, zelf een van de uitblinkers aan Rotterdamse kant, gaf na afloop dan ook ruiterlijk toe dat Benfica beter had gespeeld. Uiteindelijk toonde iedereen zich er toch tevreden over dat Feyenoord zover was gekomen. Een belangrijk aandeel daarin hadden de vier K’s. Iets wat zeker voor de Venlonaar heel opmerkelijk was, want een jaar eerder had niemand iets gegeven voor zijn kansen om ooit nog te kunnen voetballen. Een comeback op karakter.
Misschien mede door de Europese inspanningen ging het in de vaderlandse competitie minder goed met Feyenoord. De club werd slechts vierde, achter kampioen PSV, Ajax en Sparta. Ook het seizoen erna, 1963/64, kon de club uit de Maasstad geen potten breken en was wederom een vierde plaats de eindklassering. Aan het eind van dat seizoen besloot Jan Klaassens terug te keren naar zijn oude liefde VVV om daar zijn loopbaan te beëindigen. Hij had in vijf seizoenen 202 wedstrijden gespeeld. Scoren deed hij maar weinig, belangrijker was echter het aantal keren dat hij anderen in staat stelde een doelpunt te maken. Mannen als Coen Moulijn en Rinus Bennaers konden dankzij hem uitgroeien tot schutters van formaat. Hoe zeer de Nederlandse voetbalwereld zijn werk op prijs stelde, bleek in december van dat jaar 1964. De KNVB, die haar 75-jarig bestaan vierde, maakte tijdens de receptie op zaterdag 12 december bekend dat ze Jan Klaassens tot bondsridder had benoemd.
Afscheid
De terugkeer van Jan Klaassens naar VVV maakte zowel de speler als de club blij. De speler omdat hij niet meer zo vaak naar Rotterdam hoefde te reizen (“elke wedstrijd was voor mij een uitwedstrijd”) en hij weer bij zijn oude, vertrouwde vereniging kon spelen en de club omdat ze een voetballer van formaat in haar gelederen kreeg die er mogelijk voor kon zorgen dat ze een wat vooraanstaander rol in de eerste divisie kon gaan spelen. De twee voorgaande seizoenen waren de geelzwarten niet verder komen dan de veertiende plaats, een positie die het verwende Venlose voetbalpubliek niet zo kon waarderen. Het transferbedrag dat VVV voor Klaassens betaalde bedroeg 27.500 gulden, heel wat minder dus dan de som die de Rotterdammer vijf jaar eerder moesten opbrengen.
Klaassens kon de verwachtingen niet waarmaken. Hoe goed hij ook zijn best deed en speelde, het rondom hem verzamelde team ontbeerde kwaliteit om bovenin de eerste divisie mee te draaien. In het eerste seizoen na zijn terugkeer (1964/65) ging VVV voortvarend van start, maar kon het de goede prestaties niet voortzetten. Meer dan een achtste plaats - wel beter dus dan in het seizoen ervoor - zat er niet in. Het seizoen erna beleefde Jan een primeur in zijn voetballoopbaan, hij maakte voor het eerst een degradatie mee. Van de 28 gespeelde competitiewedstrijden verloor VVV er liefst negentien. Slechts vier werden gewonnen en vijf gelijk gespeeld. Resultaat was een laatste plaats en degradatie naar de tweede divisie. Dat seizoen bleef het bovendien lange tijd onzeker of VVV als betaald voetbalclub kon blijven bestaan. De schulden waren zo groot geworden, dat een faillissement dreigde. Bovendien waren de verhoudingen binnen de club ernstig verstoord. Uiteindelijk slaagde de vereniging erin om te overleven.
Dat alles betekende dat het in het seizoen 1966/67 eigenlijk alleen maar beter kon gaan. Met een team bestaande uit Frans Swinkels, Jan van ’t Hek, Jo Pepels, Sef Horsels, Leo Raats, André Orval, Jan Klaassens, Jean Thans, Boy Nijholt, Frans Derix en Jan Verbong probeerde VVV het verloren gegane terrein te heroveren. Met succes, want toen Jan Klaassens op 7 mi 1967 zijn vijfhonderdste wedstrijd voor VVV speelde (thuis tegen Wilhelmina uit Den Bosch) stond al bijna vast dat de club zou promoveren. Met nog vijf wedstrijden voor de boeg stonden de Venlonaren tweede achter Haarlem. Ze wisten die positie te behouden en promoveerden naar de eerste divisie. Het betekende opnieuw een primeur voor Jan Klaassens. De speler die bijna alles had meegemaakt in zijn lange voetballoopbaan was nog nooit gepromoveerd. Mooi dus, dat hij dit aan het eind van zijn carrière nog mocht meemaken.
De promotie bracht hem aan het twijfelen over voortzetting van zijn loopbaan. Door de promotie werd er druk op hem uitgeoefend er nog een jaartje aan vast te knopen. Zelf dacht hij erover om een kleine club in de omstreken van Venlo te gaan trainen, hij had immers het diploma oefenmeester D en C. En zijn vrouw zou graag zien dat hij stopte, hij had toch al alles meegemaakt, “wat wilde hij nog meer?” Dat vroegen ook diverse sportjournalisten zich af. Ze stelden vast dat de bijna 36-jarige slijtageverschijnselen begon te vertonen. “Zijn actieradius is beperkt geworden”, schreef de Gooi- en Eemlander, na de door VVV met 0-2 gewonnen wedstrijd tegen Hilversum waarmee de promotie een feit werd. Een wedstrijd overigens waarin hij de tweede goal maakte. “Hij zoekt niet meer het heetst van de strijd met de gretigheid van de man die hij vroeger was: de geboren strijder, de onverzettelijke volhouder. Want dat is hij geweest. Nooit heeft er een blijmoediger sjouwer in het Nederlands elftal, noch in Feyenoord, geopereerd dan deze sigarenverkoper van de Venlose Parade. Jan Klaassens heeft in zijn tijd het wereldrecord zwoegen steeds opnieuw verbeterd, tot het zo scherp stond, dat hij de boog kon ontspannen. Hij zal voorlopig niet van record worden beroofd.”
Klaassens koos er uiteindelijk voor om te stoppen, ook al bood VVV hem nog een nieuw contract aan. De Venlose club deed er vervolgens alles aan om hem een klinkend afscheid te bezorgen. Wat lag er meer voor de hand dan een wedstrijd tussen de eerste elftallen van de clubs waarvoor hij had gespeeld: VVV en Feyenoord. Maar tot verbazing van iedereen weigerden de Rotterdammers, waarvoor Jan toch zoveel had betekend. Manager Guus Brox liet aan het Rotterdamsch Nieuwsblad weten dat zijn club voor niemand een afscheidswedstrijd speelde. “Wij doen dat nu eenmaal niet. Wij krijgen jaarlijks tientallen uitnodigingen om ergens te komen spelen. Dan voor dit, dan voor dat. We zeggen ze allemaal af. We moeten wel. Het is op het ogenblik in ons keiharde betaald voetbal, onmogelijk om aan liefdadigheid te doen.” PSV bleek minder streng in de leer te zijn. De Eindhovenaren wilden graag komen en zo werd de afscheidswedstrijd vastgesteld op zaterdag 29 juli 1967.
Het afscheid was voor veel kranten andermaal reden om in grote artikelen Jans voetballoopbaan te schetsen en zijn grote verdiensten te roemen. Ook togen weer tal van journalisten naar Venlo voor een gesprek met de bijna ex-VVV’er. In bijna alle interviews stelde hij dat het een goed moment was om te stoppen, hij werd tenslotte bijna 36 en VVV was terug in de eerst divisie. Gevraagd naar de hoogtepunten in twintig jaar voetballen memoreerde hij steevast de met 1-2 gewonnen interland tegen Duitsland in 1956, de gewonnen bekerfinale van VVV tegen ADO (4-1) en de eveneens gewonnen beslissingswedstrijd tegen Vasas Boedapest in het Europacupseizoen 1962/63. Van die laatste wedstrijd stond hem vooral de massale steun van de naar Brussel meegereisde fans bij. “Ik kreeg er kippenvel van. Duidelijk werd toen hoe belangrijk het is als er zo’n massaal legioen achter je staat. Ze hebben ons naar de overwinning toegeschreeuwd. Een heerlijke avond was dat”, zei Jan verzaligd tegen A. Trouwhorst van de Sportkroniek. Aan diezelfde verslaggever vertelde hij dat tijdens zijn voetballoopbaan het tempo steeds hoger was geworden, maar dat het voetbal er daardoor als kijkspel niet op vooruit was gegaan. “Door de systemen, die meer op verdedigen zijn gericht staan de spelers veel meer op een kluitje dan voorheen. Met als gevolg, de mensen zijn tegenwoordig toch al zo prikkelbaar, dat de kans dat men op elkaars tenen gaat staan, veel groter is. Nogmaals, de spelers staan tegenwoordig direct in vuur en vlam. En dan die vervelende aanmerkingen op de leiding die je te horen krijgt. Daar hou ik niet van.”Dat laatste was overduidelijk, want tijdens zijn negentien jaar als actief voetballer had hij nog nooit een waarschuwing of andere reprimande van de scheidsrechter gekregen. Hij had nog steeds een blanco strafblad! Terwijl hij het gevecht toch absoluut niet uit de weg ging.
Samen met al die verslaggevers terugkijkend, vond Jan Klaassens maar één ding spijtig. Graag had hij het interland-record van Puck van Heel - 64 maal in Oranje - gebroken. Het was er helaas mede door zijn ongeluk niet van gekomen. Maar verder had hij niets te klagen: hij werd tweemaal kampioen van Nederland (met Feyenoord), één keer bekerwinnaar (met VVV), speelde 57 interlands, deed mee in veertien Europacupwedstrijden en speelde in totaal 707 wedstrijden in de eerste teams van VVV (505) en Feyenoord (202).
De afscheidswedstrijd op 29 juli 1967 trok vijfduizend toeschouwers. Voor de ontmoeting met PSV begon moest Klaassens voor de eretribune verschijnen. Hij werd vervolgens toegesproken door secretaris-penningmeester Burgwal van de KNVB, VVV-bestuurslid Dusch en PSV-voorzitter Janssen de Ration. Uiteraard waren er cadeaus en bloemen, onder anderen van zijn vroegere Oranje-collega Abe Lenstra. Het echte afscheid kwam enkele minuten na rust. Scheidsrechter Sjraar Klaassens, een neef van de voetballer, legde de wedstrijd stil en onder enorm applaus van de toeschouwers verliet Jan huilend het veld. VVV’s erevoorzitter Jo van Daalen greep de microfoon van de stadioninstallatie in De Kraal en riep hem na: “Jan, bedankt voor alles…” Dat PSV niet echt mee wilde werken aan het feest en VVV naar een 6-0 nederlaag speelde, was van minder belang.
Na zijn afscheid werd de Venlonaar trainer van de amateurclub Leunen die in de tweede klasse van de afdeling Limburg speelde. Onder zijn leiding legde de vereniging in het seizoen 1967/68, 1968/69 en 1969/70 beslag op respectievelijk de zesde, de tiende en de tweede plaats. Na die drie jaar hield hij het voor gezien, omdat hij niet goed op de spelers kon overbrengen wat hij wilde. Bovendien stoorde hij zich aan hun mentaliteit, zo vertelde hij tegen Dagblad voor Noord-Limburg-verslaggever Theo Vincken. Het waren natuurlijk niet allemaal zulke doorzetters als hij.
Voor de rest hield hij zich afzijdig van het voetbalwereldje. Hij ging nog naar VVV kijken, maar dat was het zo’n beetje. Interlands bezocht hij niet, het Feyenoord-stadion meed hij na de weigering om voor hem een afscheidswedstrijd te spelen en aan ontmoetingen van oud-internationals had hij na een keer genoeg. “Ik moet er niet aan denken om elke week bij elkaar te moeten zitten in de gezamenlijke herinnering hoe mooi het vroeger was, met elke keer de ouwe grappen. Wat koop ik daarvoor?”zei hij tegen een journalist van het Rotterdamsch Nieuwsblad. En hij voegde eraan toe: “Praten met mij betekent praten over mijn verleden en daar leef ik niet meer mee.”
Voor het voetballen was een nieuwe sportliefde in de plaats gekomen: tennis. Ter gelegenheid van zijn vijfhonderdste wedstrijd voor VVV had hij een racket gekregen en daar was hij mee gaan oefenen. Het spel kreeg hem snel in de greep. Volgens Venlonaren die met hem hebben getennist, speelde hij het spel op dezelfde manier waarop hij voetbal speelde, namelijk met een enorme ijver en doorzettingsvermogen. Zijn technische kwaliteiten waren beperkt, maar door zijn zwoegen wist hij toch heel wat tennissers te verslaan.
Onverwachte dood
De dood van Jan Klaassens op zaterdag 12 februari 1983 tijdens een tenniswedstrijd in Baarlo kwam geheel onverwachts. Hij had immers volgens iedereen die hem kende een ijzeren conditie. Dat uitgerekend hij en hartaanval zou krijgen, was onbestaanbaar. Toch gebeurde het op die zaterdag net voor carnaval. Ook zijn vrouw, dochter en verdere familie waren totaal overrompeld door de tragische gebeurtenis. Zeker omdat hij voordien eigenlijk nooit ziek was. Later bleek dat hij door het keiharde werken tijdens zijn voetballoopbaan een vergroot hard had gekregen. Dat was hem nu op 51-jariuge leeftijd fataal geworden.
Venlo en voetbalminnend Nederland reageerden verslagen op het plotselinge overlijden van de voetballer. Het Dagblad voor Noord-Limburg kopte op maandag 14 februari: ‘Venlo ontviel ’n voorbeeldig voetballer’. De krant liet oud-collega’s reageren op zijn dood: “Diep onder de indruk van het gebeurde was Herman Teeuwen die bijna tien jaar met Jan Klaassens in het eerste elftal van FC VVV speelde. ‘Dit is onvoorstelbaar’, aldus de geschokte Teeuwen. ‘Dat uitgerekend zoiets Jan moet treffen, een jongen die altijd zo voor de sport heeft geleefd. Noem mij één voetballer, die in zijn actieve tijd zo consciëntieus met zijn vak bezig is geweest. Een pure prof, die altijd wilde presteren. Daarvoor heeft hij zich veel moeten ontzeggen.
Maar hij heeft ook veel bereikt. Ik kan me de beginperiode van zijn interlandloopbaan herinneren, dat hij uren, dagen, weken heeft getraind op zijn passes. Daar had men nogal wat kritiek op. Die moesten zuiver worden. Ik heb toen wel ‘ns tegen hem gezegd: ‘Jan als jij honderd passes geeft en één daarvan is onzuiver, dan wrijven ze je dat nog aan’, ‘Dan probeer ik die ene slechte bal niet te geven, Herm’, zei hij dan. Dat typeerde Jan Klaassens. Een perfectionist, maar beslist geen kniesoor. Hij hield op tijd van een pleziertje, deed ook mee, maar was geen gangmaker. Dat lag niet in zijn natuur. ’n Geweldig sportman.’ Verslagenheid ook bij Gerard Kerkum, de huidige voorzitter van Feyenoord en in Jan Klaassens’ Rotterdamse jaren ook aanvoerder van het succesvolle Feyenoord-elftal. Gerard Kerkum: ‘Jan Klaassens, ’n gouden vent. Hij heeft Feyenoord mee groot gemaakt. Hij voegde iets toe aan ons voetbal. Met zijn komst kwamen ook de successen. Ik heb nooit een fijnere voetbalcollega meegemaakt. Jan, de steunpilaar, stond er altijd. En als we na afloop van een gewonnen wedstrijd ’n biertje pakten, dan bestelde Jan jus d’orange. Zo kenden wij Jan. Levend voor de voetballerij, goudeerlijk en bescheiden. Het meest heb ik hem bewonderd, toen hij na dat zware auto-ongeluk toch weer terug kwam. Ik moet zeggen mij persoonlijk doet dit trieste nieuws van zijn overlijden wat. Ja, ik ben er kapot van. Jan Klaassens was een stukje Feyenoord’.”
Zo stonden de kranten vol met reacties. Toch bleek al snel dat meer dan vijftien jaar na zijn afscheid al velen hem niet meer kenden. De spelers van het Nederlands elftal, die op maandag 14 februari voor een interland naar Spanje vertrokken, lazen het nieuws in de dagbladen. René van der Gijp, toch de zoon van Jans oude ploegmakker Cor, vroeg aan Ruud Gullit: “Heb jij wel eens van Jan Klaassens gehoord?’Gullit antwoordde: “Ja, en van Katrijn ook.”
De begrafenis van de oud-voetballer vond op donderdag 17 februari plaats. In de Sint-Martinuskerk werd een mis opgedragen, waarbij onder anderen oud-ploeggenote van VVV, Feyenoord en het Nederlands elftal aanwezig waren, zoals Gijs Nass, Herman Teeuwen, Jan Schatorjé, Ton van den Hurk, Frans Swinkels, Huub Vercoulen, Jan Notermans, Coy Koopal en Rinie van Woerden. In een herdenkingstoespraak roemde pater Meijer de trouw en wilskracht van Jan Klaassens. Op de begraafplaats voerde oud-Feyenoord-manager Guus Brox, de man die geen afscheidswedstrijd toestond, het woord. Hij sprak over de enorme inzet en het sportieve spel van de voetballer en diens bescheidenheid als mens. VVV-voorzitter Jeu Sprengers noemde Jan Klaassens “een voorbeeld voor de huidige generatie voetballers”.
Op zijn doodsprentje stond de volgende tekst: “Wij hebben JAN op het sportveld, in de zaak en in het leven van alledag mogen ervaren als bescheiden en sober, stipt, betrouwbaar en eerlijk, hartelijk en meevoelend en ietwat introvert, maar tegelijk ook als doortastend en vastberaden, volhoudend en onverzettelijk, fair en doelgericht. Een man zonder franje en droosjes. Een echte ‘sportman’ die zichzelf bleef ook na het afscheid van een topcarrière als voetballer. Een mens die hierdoor in stad en land ongewild ‘een begrip’ werd.”
Na de begrafenis was de zo geprezen voetballer snel vergeten. Jarenlang werd er niet of nauwelijks meer over hem geschreven of gesproken. De enige tastbare herinnering was zijn winkeltje aan de Parade dat vanaf zijn dood tot eind juli 1997 door Frank Peters werd gerund. Daarna raakte het echter in de versukkeling en inmiddels staat het al jaren leeg. Pas halverwege de jaren negentig kwam Klaassens opnieuw in de belangstelling te staan. Nadat de KNVB in 1993 een vergaderzaaltje van het sportcentrum in Zeist naar hem noemde, eerde VVV zijn grote speler door vanaf het seizoen 1996/97 zijn portret op clubcards, briefpapier, posters en dergelijke aan te brengen. Een posthume hulde die tot op de dag van vandaag is gehandhaafd.
Na dat eerste erebetoon kwam er meer. In 1998 verrees in de buurt van het Feyenoord-stadion een nieuw woonwijk, waarvan de straten vernoemd werden naar beroemdheden uit de geschiedenis van de club. Een van die beroemdheden was Jan Klaassens. Daarmee bleef Rotterdam Venlo net voor. De geboortestad van de voetballer gaf in 1999 aan een straatje in het plan Panhuismolen, tussen de Kaldenkerkerweg en de Van Schelbergenstraat, de naam van Jan Klaassens. Het uitkiezen van juist dat straatje, waaraan alleen garages en achterkanten van woningen liggen, getuigde overigens van weinig respect. Zo eer je een man van Jans formaat niet. Zijn echtgenote vindt terecht dat je het vernoemen dan beter achterwege had kunnen laten.
Rond de eeuwwisseling, toen veel mensen gingen terugblikken en er Venlonaren van de eeuw werden uitgeroepen en elftallen van de eeuw en overzichten van de beste Limburgse sporters aller tijden moesten worden samengesteld, was er opnieuw aandacht voor de voetballer. Uiteraard kreeg hij samen met onder anderen Gijs Nass, Mikan Jovanovic, John Roox, Ger van Rosmalen, Herman Teeuwen en Stan Valckx een plaatsje in de ‘VVV-selectie van de eeuw’. Tot Venlonaar van de eeuw schopte hij het echter niet, die eer moest Klaassens laten aan revue- en liedjesschrijver Frans Boermans. Op de door Dagblad De Limburger samengestelde ‘Top 50 Limburgse sporters aller tijden’, met wielrenner Peter Winnen als beste, behaalde hij een elfde plek, achter namen als Willy Brokamp (slechts zes interlands) en Willy Dullens (vier keer in Oranje). Een niet onomstreden klassering, die volgens een ingezonden briefschrijver te wijten was aan de fixatie op Zuid-Limburg van de sportredactie van de krant. Toch liet ook Henk Spaan Brokamp en Dullens voor Jan eindigen in zijn Top 100 van de beste Nederlandse voetballers van de eeuw, en klasseerde zelfs Cor van der Hart nog voor hem. Klaassens kreeg de 68ste plaats toebedeeld. Logisch dus dat de Venlonaar van het Nederlands elftal van d eeuw niet haalde, wel werd hij door medesamensteller Johan Cruijff zeer positief besproken: “Een linkshalf op dit niveau moest zowel technisch als positioneel heel sterk zijn. Jan Klaassens is voor veel mensen niet zo heel erg bekend, maar was op het middenveld een echte controleur. Een fysiek sterke speler, die wist wat hij wel en niet kon en beschikte over een enorme reikwijdte.”
Zo bleven en blijven de herinneringen aan Jan Klaassens meestal steken in mooie woorden, net als die van Cruijff. Mar wordt het niet eens tijd om indachtig de aloude Feyenoord-slogan “Geen woorden, maar daden, een echt monument op te richten voor de beste voetballer die Venlo en Limburg ooit hebben voortgebracht? Wat zou er dan mooier zijn dan iets met zijn kleine winkel aan de Parade te doen? Wim Moorman van de Vrienden van het Limburgs Museum, heeft er ooit voor gepleit om het winkeltje in zijn geheel over te plaatsen naar het museum. Ik wil het graag omdraaien. Maak van het winkeltje een dependance van het Limburgs Museum, met daarin foto’s, krantenknipsels en attributen die een beeld geven van de fantastische loopbaan van Jan Klaassens. Een museum dat dag en nacht ‘open’ is, want als je het een beetje goed aanpakt, zijn alle uitgestalde spullen vanaf de straat te zien en heb je niet eens een suppoost nodig. Veel hoeft een monument voor Kan Klaassens dus niet te kosten. Wie kopt de voorzet in?
Dat journalisten met hun geschrijf heel wat te weeg kunnen brengen is met dit verhaal weer eens bewezen. Op 12 februari 2003 ging de wens van Adri Gorissen en Wim Moorman in vervulling en werd het sigarenwinkeltje van Jan Klaassens aan de Parade in Venlo, officieel omgedoopt tot het Jan Klaassens Museum.
Zie onderstaand de tekst op de website van het Limburgs Museum. Voetbalinternational Jan Klaassens krijgt eigen museum
Limburgs Museum in Venlo opent dependance
Sef Derkx
16-01-03 Het Limburgs Museum in Venlo opent op woensdag 12 februari 2003 een soort van dependance. Het wordt het kleinste museum van Nederland gewijd aan de grootste Limburgse voetballer ooit. Dat laatste vinden tenminste Venlose liefhebbers, want international Jan Klaassens (1931-1983) voetbalde jaren bij de plaatselijke glorie VVV. Het Jan Klaassens Museum wordt gevestigd in de Venlose binnenstad in het piepkleine tabakswinkeltje dat de middenvelder dreef tijdens en na zijn indrukwekkende loopbaan. Indrukwekkend is een understatement want Klaassens kwam 57 keer uit voor Nederland, waarvan zes maal als aanvoerder, speelde meer dan 500 wedstrijden voor VVV en meer dan 200 voor Feyenoord. Jan was geen glamourboy van de velden, maar een bescheiden karaktervoetballer. Een waterdrager die het vooral van zijn tomeloze inzet moest hebben. Alles zette hij opzij voor het voetballen. Hij rookte niet en raakte geen glas alcohol aan en dat terwijl hij zelf neringdoende in tabakswaren was en zijn vader café hield.
Comeback
Op weg van Rotterdam naar Venlo raakte Jan Klaassens op 2 maart 1962 betrokken bij een ernstig auto-ongeluk. Hij werd uit de auto geslingerd, waarbij zijn nekwervels werden gekraakt. Voor zijn leven werd gevreesd, voor zijn voetbalcarrière gaf niemand meer een cent. Maar Jan vocht terug. Eerst in het ziekenhuisbed, later op de oefenvelden. Op 19 augustus 1962 viel hij in bij de oefenwedstrijd Feyenoord tegen Excelsior. Toen de stadionspeaker zijn naam bekend maakte, ontplofte de Kuip bijna van enthousiasme. Het Feyenoordlegioen gaf hem een staande ovatie. Veel supporters hielden de ogen niet droog, zozeer was de comeback de sympathieke Limburger gegund. Een jaar later selecteerde Elek Schwartz hem ook weer voor het Nederlands elftal. De wilskracht en het doorzettingsvermogen die uit zijn terugkeer op de velden spreken, was karakteristiek voor de rots in de branding die Jan Klaassens als mens én voetballer was. Als VVV-er nam hij afscheid van het betaald voetbal op 29 juli 1967 op De Kraal, het stadion waar hij jaren tevoren als amateur was begonnen.
Kicks
Op zijn twintigste sterfdag, 12 februari a.s. dus, wordt het Jan Klaassens Museum geopend door een medespeler uit zijn Feyenoordjaren Hans Kraay sr. Wat is er zoal te zien? Een prachtig shirt dat hij droeg als speler van het Nederlands elftal, met opgestikt Nederlands leeuwtje. Kicks die hij droeg, foto’s, trofeeën, vaantjes, speldjes en andere memorabilia uit zijn glansrijke carrière - zaken kortom die het hart van de ware voetballiefhebber sneller doen kloppen. De collectie van het Jan Klaassens Museum zal alle dagen van het jaar en alle uren van het etmaal te zien zijn, want het tabakswinkeltje is niet groter dan een fors uit de kluiten gewassen vitrine die enkel en alleen vanuit de straat kan worden bekeken.
Jan Klaassens Museum
Parade 67a
5911 CB Venlo
De provincie Limburg financiert het Limburgs Museum. Dit project werd geïnitieerd door journalist Adri Gorissen en gerealiseerd in samenwerking met de familie Klaassens.















